ECLI:NL:RBARN:2008:BC6866
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kwalificatie bemiddelingsovereenkomst en provisievordering tussen PMS BV en GI BV
PMS BV en GI BV zijn in geschil over de kwalificatie van hun overeenkomst en de betaling van een provisie van 5% over een order van Alcatel in België. PMS stelt dat de overeenkomst een tipovereenkomst is waarbij zij recht heeft op provisie ongeacht haar inspanningen, terwijl GI betwist dat PMS enige rol heeft gespeeld bij het verkrijgen van de order.
De rechtbank onderzoekt de overeenkomst aan de hand van de Haviltexnorm en concludeert dat de overeenkomst kwalificeert als een bemiddelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:425 BW Pro. Dit betekent dat PMS alleen recht heeft op provisie indien zij daadwerkelijk heeft bemiddeld bij het tot stand komen van de overeenkomst tussen GI en Alcatel.
PMS heeft verklaard dat zij actief heeft geprobeerd de besluitvorming bij Alcatel te beïnvloeden ten gunste van GI, maar de rechtbank vindt dat PMS onvoldoende concreet heeft gemaakt dat haar inspanningen daadwerkelijk hebben geleid tot de order. Daarom draagt PMS de bewijslast om dit aan te tonen.
De rechtbank bepaalt dat PMS binnen een nader te bepalen termijn bewijs moet leveren, hetzij door overleggen van documenten, het horen van getuigen of andere bewijsmiddelen. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling en het plannen van getuigenverhoren.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige kwalificatie van overeenkomsten en de toepassing van de Haviltexnorm bij de uitleg van contractuele afspraken tussen partijen.
Uitkomst: De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als bemiddelingsovereenkomst en draagt PMS de bewijslast op dat haar bemiddeling heeft geleid tot de Alcatel-order; de zaak wordt aangehouden voor bewijslevering.