ECLI:NL:RBARN:2007:BH0333

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
4 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/2326 en 06/2327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Wet IB 2001Artikel I, onderdeel AJ, Invoeringswet Wet IB 2001Artikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waarde van onroerende zaak in verhuurde staat bij terbeschikkingstelling voor belastingaanslag

Eiser, eigenaar van een onroerende zaak verhuurd aan een vennootschap waarvan hij indirect 100% aandeelhouder is, betwist de door verweerder vastgestelde waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2001. Verweerder baseerde de waardebepaling op een taxatierapport waarin de waarde in verhuurde staat werd vastgesteld op €998.316, met een aangepaste waarde van €777.084 rekening houdend met de werkelijke huuropbrengst.

De rechtbank stelt vast dat de waarde in het economisch verkeer de waarde in verhuurde staat betreft, aangezien een huurovereenkomst met een resterende looptijd van vijf jaar van kracht was. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde waarderingsmethodiek en berekeningen aannemelijk en wijst het door eiser aangevoerde tegenbewijs af.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 4 juni 2007 en in het openbaar uitgesproken door rechter A.M.F. Geerling.

Uitkomst: De rechtbank stelt de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2001 vast op €777.084 en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/2326 en 06/2327
Uitspraakdatum: 4 juni 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst [P], verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
1. De uitspraak van verweerder van 7 maart 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen [aanslagnummer].
2. De uitspraak van verweerder van 9 maart 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen [aanslagnummer].
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2006. Nadat gebleken is dat het onderzoek niet volledig is geweest heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voortgezet met een schriftelijke inlichtingenronde. Het onderzoek is vervolgens voortgezet ter zitting op 21 mei 2007. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [A]. Namens verweerder is verschenen drs. [B], bijgestaan door [C].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak).
2. Op basis van een op 2 september 1996 gesloten huurovereenkomst bedrijfsruimte verhuurt eiser de onroerende zaak aan [D BV] waarvan hij (indirect) 100% aandeelhouder is. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 10 jaar die zonder opzegging wordt verlengd met opnieuw 10 jaar. De overeengekomen huurprijs bedraagt ƒ 60.000 (€ 27.226) exclusief BTW. De huurprijs wordt jaarlijks, voor het eerst op 1 januari 1998, geïndexeerd.
3. Eiser heeft tijdens de aanslagregeling een taxatierapport overgelegd d.d. 20 oktober 2000, opgesteld door [E], werkzaam bij [F] Makelaars, waarin de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik is vastgesteld op
ƒ 2.200.000 (€ 998.316).
4. Verweerder heeft blijkens een taxatierapport d.d. 9 december 2004, opgesteld door [C], de waarde in verhuurde staat vastgesteld op ƒ 2.200.000 (€ 998.316). Deze waardebepaling is tot stand gekomen door uit te gaan van een huurwaarde van € 85.000 en een kapitalisatiefactor van 11,75. De heer [C] heeft bij zijn waardering onder meer de volgende opmerking gemaakt:
“Bij de berekening van de waarde is ondergetekende ervan uitgegaan dat de huur ad € 85.000,00 met terugwerkende kracht alsnog zal worden betaald (…).”
Uitgaande van een werkelijke huuropbrengst van € 36.000 heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak berekend op € 777.084.
5. Tussen partijen is thans nog in geschil de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2001 en de hieruit voortvloeiende afschrijving op de onroerende zaak. Eiser heeft de onroerende zaak op de openingsbalans geactiveerd voor € 1.000.000 en in zijn aangifte over de jaren 2001 en 2002 € 12.500 afschrijving in aanmerking genomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat – gelet op de lage huur en de resterende looptijd van de huurovereenkomst – de waarde op 1 januari 2001 € 777.084 bedraagt. De afschrijving is door verweerder berekend op 2,5% x € 388.542 = € 9.713.
6. Met ingang van 1 januari 2001 is het zogenoemde terbeschikkingstellingregime als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) op de onroerende zaak van toepassing. Artikel I, onderdeel AJ, van de Invoeringswet Wet IB 2001 bepaalt dat vermogensbestanddelen voor zover deze op grond van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2001 tot een werkzaamheid worden gerekend, bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek worden gesteld voor de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip.
7. De waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak is de prijs, die bij aanbieding van het pand ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed, uitgaande van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden op 1 januari 2001. Dat brengt mee dat de waarde in het economisch verkeer van het pand per 1 januari 2001 de waarde daarvan in verhuurde staat is. Tussen eiser en de vennootschap was immers op 1 januari 2001 een huurovereenkomst van kracht met een resterende looptijd van vijf jaren.
8. De door verweerder aangevoerde gegevens, tezamen en in onderling verband beschouwd, maken voldoende aannemelijk dat de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak per 1 januari 2001 € 777.084 bedraagt. Verweerder heeft immers in zijn taxatierapport een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt ten aanzien van de huurprijs. Voorts heeft de rechtbank – gelet op voornoemde uitgangspunten – geen reden om aan de juistheid van de door verweerder overgelegde berekening van de waarde in het economisch verkeer te twijfelen. Het door eiser zijnerzijds aangevoerde is van onvoldoende gewicht om te anderszins te concluderen.
9. Verweerder heeft de waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat per 1 januari 2001 dan ook op juiste gronden vastgesteld op € 777.084 en de afschrijving berekend op € 9.713. Het beroep is ongegrond.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.
De griffier De rechter
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.