ECLI:NL:RBARN:2007:BB8109
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.P.M. Weusten
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst en loonvordering na proefplaatsing bij horecabedrijf
Werknemer heeft met toestemming van het UWV en behoud van WW-uitkering een proefplaatsing van 27 maart tot 25 juni 2006 bij een horecabedrijf doorlopen. Tijdens deze periode is een schriftelijke intentieverklaring opgesteld waarin werkgever aangaf bij geschiktheid een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Na afloop van de proefplaatsing werkte werknemer nog vijf weken door, waarbij hij betaald werd via een payroll-uitzendbureau. Werkgever achtte werknemer niet geschikt en bood geen arbeidsovereenkomst aan, maar werk als oproepkracht via het payrollbureau.
Werknemer vordert een verklaring voor recht dat er een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en betaling van loon en vakantiebijslag over de periode 31 juli tot 15 december 2006. Werkgever betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en voert aan dat werknemer na een arbeidsongeval niet meer heeft gewerkt en dat hem slechts een payrollcontract is aangeboden.
De kantonrechter stelt vast dat werknemer na de proefplaatsing daadwerkelijk heeft doorgewerkt en dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst, tenzij werkgever kan bewijzen dat zij uiterlijk aan het einde van de proefplaatsing schriftelijk heeft medegedeeld dat zij werknemer niet geschikt achtte en geen arbeidsovereenkomst aanbood. Werkgever krijgt de bewijsopdracht om dit te bewijzen. De loonvordering wordt voorlopig inhoudelijk behandeld, waarbij de kantonrechter uitgaat van de leidinggevende functie van werknemer en het CAO-salaris. De wettelijke verhoging wordt gematigd vanwege het feit dat werknemer in de periode geen werkzaamheden meer verrichtte. De verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van bewijslevering.
Uitkomst: Bewijsopdracht aan werkgever om mededeling niet geschiktheid te bewijzen; verdere beslissing aangehouden.