ECLI:NL:RBARN:2007:BB7451
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen verstekvonnis inzake opheffing conservatoire beslagen na beëindiging samenwerking en affectieve relatie
Partijen, die aandeelhouders zijn in twee vennootschappen en een beëindigde affectieve relatie hebben, zijn verwikkeld in diverse procedures over opheffing van conservatoire beslagen die door gedaagde zijn gelegd ter zekerheid van vorderingen. Eiser heeft een verstekvonnis verkregen waarin gedaagde is veroordeeld tot opheffing van deze beslagen.
Gedaagde stelde verzet in tegen het verstekvonnis, onder meer op grond van nietigheid van de inleidende dagvaarding wegens het niet vermelden van de verkorting van de dagvaardingstermijn. De rechtbank oordeelt dat deze nietigheid niet aannemelijk is en dat het verzet tijdig is ingesteld, mede omdat gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt in Nederland te wonen.
De rechtbank beoordeelt inhoudelijk dat de vorderingen van gedaagde onvoldoende onderbouwd zijn, met name dat de lening van €290.000 aan de vennootschap is verstrekt en niet aan eiser privé, en dat voor de lening van €30.000 reeds voldoende zekerheid is gesteld. De beslagen uit 2005 en 2006 zijn reeds gedeeltelijk opgeheven. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis, met aanpassing van enkele foutieve data in het vonnis.
De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de persoonlijke relatie tussen partijen, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzet tegen het verstekvonnis wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis blijft in stand met kostencompensatie.