ECLI:NL:RBARN:2007:BB6510
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs overschrijding mestreferentiehoeveelheid pluimveehouderij
Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk produceren van een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen dan het voor zijn bedrijf geldende pluimveerecht in de jaren 2004 en 2005. De tenlastelegging betrof overschrijding van 7.680 kg fosfaat. Tijdens de terechtzitting werd het bewijs onderzocht, waaronder historische vergunningen, veesaldokaarten en eerdere bestuursbesluiten.
De rechtbank stelde vast dat de mestreferentiehoeveelheid van 7.680 kg fosfaat, zoals door de minister en het openbaar ministerie gehanteerd, niet juist was. Verdachte had zich beroepen op een hogere referentiehoeveelheid gebaseerd op vergunningen en bedrijfsuitbreidingen, maar de rechtbank oordeelde dat de uitbreidingsvergunningen niet tijdig waren aangevraagd en dus niet in aanmerking kwamen.
De rechtbank stelde vervolgens zelf de mestreferentiehoeveelheid vast op 9.000 kg fosfaat, gebaseerd op het oorspronkelijk vergunde aantal leghennen van 18.000. Omdat de tenlastelegging uitdrukkelijk was gebaseerd op de lagere hoeveelheid, leidde dit tot vrijspraak wegens onvoldoende bewijs. De strafrechter heeft bevestigd dat hij bevoegd is om zelfstandig de mestreferentiehoeveelheid vast te stellen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van juiste vaststelling van referentiehoeveelheden in milieustrafzaken en bevestigt dat de strafrechter een toetsende rol heeft bij betwisting van bestuursgegevens in strafzaken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat de mestreferentiehoeveelheid van 7.680 kg fosfaat niet bewezen is en de rechtbank een hogere referentiehoeveelheid vaststelt.