ECLI:NL:RBARN:2007:BA8807
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. Noordraven
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens niet-onrechtmatige intrekking vergunning door provincie
De zaak betreft een geschil tussen Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V. en de Provincie Gelderland over de intrekking van een Hinderwetvergunning. Handelsmaatschappij stelde dat zij de feitelijke drijver van de onderneming was waarvoor de vergunning was verleend en dat de intrekking onrechtmatig was, waardoor zij aanspraak maakte op schadevergoeding.
De rechtbank onderzocht de feitelijke bedrijfsvoering aan de hand van stukken en getuigenverklaringen. Uit een brief van 1985 en de verklaring van een accountant bleek dat Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V. de onderneming feitelijk dreef, terwijl de andere vennootschap de vastgoedactiviteiten beheerde. De provincie stelde dat Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V. bestuursrechtelijk belanghebbende had moeten zijn en bezwaar had moeten maken tegen de intrekking, wat niet was gebeurd.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie, indien een administratiefrechtelijke beroepsprocedure openstond en niet is benut, het besluit in beginsel rechtmatig is jegens degene die geen beroep instelde. De procedure bij de Raad van State was gevoerd door de andere vennootschap, niet door Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V. Hierdoor kon deze laatste zich niet beroepen op onrechtmatigheid van het besluit.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de vergunning niet onrechtmatig was jegens Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V. en wees de vordering af. Tevens werd Handelsmaatschappij veroordeeld in de proceskosten van de provincie.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat de intrekking van de vergunning niet onrechtmatig was jegens Handelsmaatschappij J.M. en Zonen B.V.