ECLI:NL:RBARN:2007:BA5462
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op bijstand wegens niet tijdig verstrekken gevraagde gegevens niet onrechtmatig
Eiser stelde dat zijn bijstandsuitkering onterecht per 1 mei 2006 was beëindigd omdat hij de gevraagde bank- en giroafschriften en een bewijs van inschrijving bij het CWI al tijdens het gesprek op 24 april 2006 had overlegd. Verweerder had het recht op bijstand opgeschort per 24 april 2006 wegens het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens en dit besluit gehandhaafd bij bezwaar.
De rechtbank overwoog dat eiser geen bezwaar had gemaakt tegen de opschorting en dat het beroep zich daarom beperkte tot de vraag of eiser verwijtbaar had verzuimd binnen de hersteltermijn de gevraagde informatie te verstrekken. Dit was volgens de rechtbank het geval. De stelling van eiser dat de beëindiging in strijd was met artikel 54, vierde lid, van de WWB en dat hij ten onrechte niet was gehoord in bezwaar, werd verworpen. De rechtbank achtte aannemelijk dat eiser afstand had gedaan van zijn recht op hoorzitting.
De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik had gemaakt en dat eiser door het opschuiven van de datum van intrekking niet was benadeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens niet tijdig verstrekken van gevraagde gegevens wordt ongegrond verklaard.