ECLI:NL:RBARN:2007:BA1498

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
151319
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:26 AwbArt. 5:33 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eisers in kort geding tegen dwangbevel gemeente Rheden

Eisers hebben in kort geding gevorderd om de executie van een dwangbevel van de gemeente Rheden te schorsen of buiten werking te stellen. Het dwangbevel was op 19 januari 2007 betekend en betrof een bedrag van €19.533,16.

De voorzieningenrechter beoordeelde allereerst de ontvankelijkheid van de eisers. Volgens vaste rechtspraak (HR 16 maart 1990) is een eisende partij in kort geding niet-ontvankelijk wanneer de aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Artikel 5:26 Awb Pro biedt een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang via de civiele sector van de rechtbank, waarbij het instellen van verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het kort geding niet de juiste procedure is om verzet tegen het dwangbevel in te stellen. Eisers dienen zich tot de civiele bodemrechter te wenden. Het kort geding kan geen verklaring voor recht geven zoals door eisers gevraagd. Het verzoek om de zaak als bodemzaak te behandelen werd afgewezen om misbruik van de verzetstermijn te voorkomen.

Als gevolg hiervan verklaarde de voorzieningenrechter eisers niet-ontvankelijk en veroordeelde hen in de kosten van de procedure.

Uitkomst: Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 151319 / KG ZA 07-56
Vonnis in kort geding van 27 februari 2007
in de zaak van
[eisers]
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. M.L.E. van Swelm te Arnhem,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE RHEDEN,
gevestigd te De Steeg, gemeente Rheden,
gedaagde,
advocaat mr. P.C.M. Heinen te Arnhem.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de door mr. Van Swelm overgelegde producties,
- de mondelinge behandeling,
- de pleitnota van mr. Van Swelm, inhoudende een wijziging van eis.
1.2. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter mondeling vonnis gewezen en aan partijen meegedeeld dat het op schrift gestelde vonnis op 29 februari 2007 aan partijen zal worden toegezonden.
2. De feiten
2.1. Op 19 januari 2007 is aan eisers op verzoek van gedaagde een dwangbevel betekend dat op 8 januari 2007 door het college van burgemeester en wethouders van gedaagde tegen eisers is verleend. Krachtens dit dwangbevel wordt eisers bevolen om binnen twee dagen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan gedaagde te betalen het bedrag van in totaal € 19.533,16, onverminderd de nog te vervallen kosten van executie en alles onder aftrek van zodanige bedragen als hierop verder aantoonbaar in mindering zijn voldaan.
3. Het geschil
3.1. Eisers vorderen, na wijziging van eis, schorsing van de executie van het dwangbevel dan wel buiten effect stelling van de executie van de dwangsom op grond van het besluit van 8 januari 2007 dan wel een verbod voor gedaagde om tot invordering van de dwangsom over te gaan, het voorgaande met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit kort geding.
3.2. Eisers stellen daartoe dat gedaagde misbruik maakt van haar executiebevoegdheid (door niet ambtshalve legalisering te overwegen). Er zou sprake zijn van verjaring van de invorderingstermijn en gedaagde zou niet aannemelijk hebben gemaakt dat de overtreding niet is beëindigd.
3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. In deze zaak moet allereerst worden beoordeeld of eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Het primaire verweer van gedaagde is dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
4.2. Tegen het dwangbevel staat ingevolge artikel 5:33, tweede lid, juncto artikel 5:26 derde Pro lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) gedurende zes weken na de dag van betekening van het dwangbevel verzet open door dagvaarding van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. Krachtens de toelichting bij artikel 5:26, derde lid, Awb moet het verzet worden ingesteld door dagvaarding bij de rechter van de civiele sector van de rechtbank. Het vierde lid van artikel 5:26 Awb Pro bepaalt dat het verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst.
4.3. Naar vaste rechtspraak (HR 16 maart 1990, NJ 1990, 500) wordt een eisende partij in een kort geding niet-ontvankelijk verklaard wanneer de in een bepaalde situatie aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. In het onderhavige geval biedt artikel 5:26 Awb Pro naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. In het bijzonder dient daarbij te worden gelet op het hierboven genoemde vierde lid van artikel 5:26 Awb Pro. Op die schorsing is dit kort geding in wezen gericht. In het licht van de hier bedoelde rechtspraak is het kort geding niet de procedure waar dit verzet behoort te worden ingesteld, maar dienen eisers zich te wenden tot de civiele bodemrechter. Weliswaar bestaat in de gewone dagvaardingsprocedure tegen het dwangbevel de mogelijkheid van het vorderen van een verklaring voor recht, zoals eisers in dit geval hebben gedaan, maar die kan de voorzieningenrechter niet geven.
4.4. Het is op zichzelf niet uitgesloten dat de voorzieningenrechter de zaak door partijen op de rol doet plaatsen om als bodemzaak te worden behandeld, maar in een geval als dit zou dat uitsluitend tot gevolg hebben dat de verzetstermijn omzeild wordt via de, op zichzelf door artikel 5:26 Awb Pro geblokkeerde, gang naar de voorzieningenrechter.
4.5. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen eisers in de kosten van dit kort geding worden verwezen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen,
5.2. veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde bepaald op € 527,00 voor salaris procureur en op € 248,00 voor verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Satijn op 27 februari 2007.