ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9871
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij parallelle procedure in Duitsland volgens EEX-Verordening
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de rechtbank Arnhem bevoegd is om kennis te nemen van een reconventionele vordering, terwijl een procedure over hetzelfde onderwerp reeds aanhangig is bij het Amtsgericht Schoneberg in Duitsland.
Eiser stelt dat de Duitse procedure eerder is gestart en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd moet verklaren dan wel de zaak moet aanhouden op grond van artikel 27 van Pro de EEX-Verordening. Gedaagde betwist dit en voert aan dat de Nederlandse rechtbank bevoegd is en dat de Duitse procedure is ingetrokken.
De rechtbank bevestigt het dwingende karakter van artikel 27 EEX Pro-Verordening, dat bepaalt dat bij gelijktijdige procedures de rechtbank waar de zaak het laatst is aangebracht, de zaak moet aanhouden of zich onbevoegd moet verklaren. Omdat de Duitse procedure mogelijk is beëindigd, wordt de zaak aangehouden om gedaagde in de gelegenheid te stellen dit nader te onderbouwen.
De rechtbank wijst erop dat het tijdstip van aanhangigmaking in Duitsland is vastgesteld op 25 november 2005 en de reconventionele eis in Nederland op 30 november 2005 is ingediend, waarmee de Duitse procedure eerder is gestart. De beslissing over bevoegdheid wordt aangehouden tot nadere stukken zijn overgelegd.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan om nadere stukken over de intrekking van de Duitse procedure te verkrijgen en neemt geen verdere beslissing.