ECLI:NL:RBARN:2007:AZ7175
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging proeftijd na voorwaardelijke veroordeling wegens zedendelict
De rechtbank Arnhem behandelde op 22 januari 2007 de mondelinge vordering van de officier van justitie tot verlenging van de proeftijd van een veroordeelde die bij vonnis van 20 december 2004 was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
De officier van justitie baseerde zijn vordering op het niet deelnemen van de veroordeelde aan een terugvalpreventiegroep en wilde de proeftijd met één jaar verlengen met een bijzondere voorwaarde omtrent gedragsvoorschriften en ambulante behandeling. De raadsman van de veroordeelde stemde in met de conclusie van de officier van justitie.
Uit het onderzoek bleek dat de veroordeelde zich wel dader voelde en een individuele behandeling had ondergaan, maar dat nog een vervolgonderzoek nodig was voor eventuele verdere behandeling. De rechtbank oordeelde dat de grondslag voor de vordering niet juist was en dat de proeftijd op het moment van de zitting al was verlopen, waardoor de vordering niet ontvankelijk was.
De rechtbank nam hierbij artikel 14f en 14g van het Wetboek van Strafrecht in acht en wees de vordering af. De officier van justitie werd niet ontvankelijk verklaard in zijn mondelinge vordering tot verlenging van de proeftijd en het opleggen van een bijzondere voorwaarde.
Uitkomst: De officier van justitie is niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot verlenging van de proeftijd na het verlopen daarvan.