ECLI:NL:RBARN:2006:BB8775
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.H.M. Delnooz-Engels
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling heffingsrenteperiode bij inkomstenbelastingaanslag 2003
Eiser betwistte de periode waarover heffingsrente werd berekend bij zijn aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003. De aanslag werd vastgesteld op 15 april 2005, terwijl de echtgenote van eiser al op 28 juli 2004 een aanslag ontving. Eiser vond dat de heffingsrente slechts over 1 januari 2004 tot 28 juli 2004 verschuldigd was.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanslag van eiser later was opgelegd dan die van zijn echtgenote, wat strijdig was met artikel 7:12 Awb Pro. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van de beschikking in stand, omdat de aanslag op 15 april 2005 was vastgesteld en de heffingsrente volgens de wettelijke regeling over die periode berekend moest worden.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat de aanslag binnen drie maanden na indiening van de aangifte had moeten worden vastgesteld. De voorlopige aanslag van de echtgenote was geautomatiseerd en vereiste geen inhoudelijke beoordeling, waardoor dit geen reden was om de aanslag van eiser eerder vast te stellen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat parlementaire uitlatingen geen rechtens bindende toezeggingen vormen.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsrente terecht was berekend over de periode 1 januari 2004 tot en met 15 april 2005 en wees het beroep van eiser toe wegens motiveringsgebrek, maar handhaafde de heffingsrente. Tevens werd het door eiser betaalde griffierecht van €37 vergoed.
Uitkomst: Uitspraak op bezwaar vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar heffingsrente over juiste periode bevestigd en griffierecht vergoed.