ECLI:NL:RBARN:2006:AY8244

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
13 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
144874 / 06-179
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • E.G. Smedema
  • H.P.M. Kester
  • T.P.E.E. van Groeningen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 26 lid 3 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens niet-erkend gezag rechtbank

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die belast was met de behandeling van zijn verzet tegen dwangbevelen tot verhaal van administratieve sancties. Verzoeker betwistte tevens de bevoegdheid van de wrakingskamer en gaf aan het gezag van de rechtbank Arnhem niet te erkennen, waarvan de kantonrechter deel uitmaakt.

De wrakingskamer overwoog dat het niet erkennen van het gezag van de rechtbank geen feit of omstandigheid is die de onpartijdigheid van de rechter aantast. Er zijn geen aanwijzingen dat de kantonrechter zich partijdig heeft gedragen. Bovendien zou het accepteren van dit wrakingsverzoek leiden tot een oneindige keten van wrakingsverzoeken, wat strijdig is met het belang van een spoedige en ongestoorde rechtsgang.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer handhaafde haar bevoegdheid om het verzoek te behandelen en vond het verzoek niet gegrond. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 13 september 2006.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen omdat het niet erkennen van het gezag van de rechtbank geen grond voor wraking vormt.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Wrakingskamer
Zaak-/rekestnummer: 144874 / 06-179
Datum uitspraak: 13 september 2006
Beschikking
naar aanleiding van het verzoek van
[verzoeker],
wonende te Nijmegen,
verzoeker,
tot wraking ex artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht van
[naam],
in zijn hoedanigheid van kantonrechter te Nijmegen, belast met de behandeling van de zaken onder zaak-/rolnummers: 417496 WM VERZ 05-11057 en 422779 WM VERZ 05-11064, betreffende het verzet van verzoeker als betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen tot verhaal van administratieve sancties en verhogingen (artikel 26 lid 3 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften).
De procedure
Ter terechtzitting van 11 juli 2006 van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, alwaar is behandeld het verzet van verzoeker tegen de tenuitvoerlegging van een tweetal dwangbevelen tot verhaal van administratieve sancties en verhogingen, heeft verzoeker een mondeling verzoek om wraking gedaan van de kantonrechter [naam]. Dat verzoek is neergelegd in een proces-verbaal. Daarop heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak geschorst. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bepaald op 7 september 2006. Op die dag is verzoeker ter terechtzitting verschenen. [naam] is niet ter terechtzitting verschenen. Hij heeft wel laten weten niet in de wraking te berusten.
De overwegingen
1. Ter terechtzitting heeft verzoeker mondeling de leden van de wrakingskamer gewraakt. Als reden daarvoor heeft verzoeker aangegeven dat die leden deel uitmaken van de rechtbank Arnhem, waarvan hij zegt het gezag niet te erkennen.
De wrakingskamer overweegt naar aanleiding van dit verzoek het volgende. Het verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer betekent in beginsel dat het onderzoek ter terechtzitting moet worden geschorst en dat een nieuwe meervoudige kamer dit wrakingsverzoek dient te behandelen. De enige wrakingsgrond die verzoeker naar voren heeft gebracht, die ook de basis vormt van verzoekers verzoek tot wraking van [naam], te weten dat hij het gezag van de rechtbank Arnhem niet erkent, zal meebrengen dat hij ook de leden van die nieuwe meervoudige kamer niet zal accepteren nu zij deel uitmaken van de rechtbank Arnhem, en hij hen vervolgens zal wraken, waarna een en ander zich herhaalt totdat er geen leden van de rechtbank meer zijn die in laatste instantie in een meervoudige kamer zitting kunnen nemen. Onder die omstandigheden is de wrakingskamer van oordeel dat het zinledig is het onderzoek te schorsen en een nieuwe meervoudige kamer samen te laten stellen ter beslissing van het verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer, steeds op dezelfde grond. Een dergelijke keten van wrakingsverzoeken is bovendien in strijd met het in het wettelijke stelsel verwoorde uitgangspunt dat op een wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk wordt beslist zulks in het belang van een ongestoorde voortgang en afdoening binnen een redelijke termijn van de hoofdzaak. De wrakingskamer zal daarom aan het verzoek om wraking van haar leden voorbijgaan en hierna het op dezelfde grond gestoelde verzoek om wraking van [naam] beoordelen. De wrakingskamer is daartoe ook in staat, nu verzoeker ter terechtzitting zijn verzoek om wraking van [naam] heeft toegelicht en in verband daarmee een schriftelijk stuk heeft overgelegd.
2. Verzoeker heeft ter terechtzitting voorts de bevoegdheid van de wrakingkamer betwist. Daartoe stelt verzoeker, zo begrijpt de wrakingskamer, dat in eerdere procedures door rechterlijke instanties geen aandacht is besteed aan hetgeen verzoeker daar toen aan de orde heeft gesteld. Verzoeker meent dat de wrakingskamer het verzoek daarom niet kan behandelen.
De wrakingskamer overweegt dat een dergelijk betoog niet kan leiden tot haar onbevoegdheid. Uit artikel 8:18 Algemene Pro wet bestuursrecht volgt dat, ingeval van een verzoek om wraking, dit verzoek wordt behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarin de rechter wiens wraking is verzocht geen zitting heeft. De onderhavige wrakingskamer, waarin [naam] geen zitting heeft, is op grond van het hiervoor genoemde artikel dus bevoegd van het wrakingsverzoek kennis te nemen.
3. Uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek volgt dat verzoeker [naam] heeft gewraakt, omdat de rechtbank, het openbaar ministerie, het Centraal Justitieel Incasso Bureau en de deurwaarder zich van alles permitteren. Ter terechtzitting heeft verzoeker zijn
verzoek verduidelijkt en aangegeven dat zijn bezwaar erop neerkomt dat hij het gezag van de rechtbank Arnhem niet erkent. Omdat [naam] lid is van de rechtbank erkent verzoeker ook diens gezag niet.
De wrakingskamer overweegt dat artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht als norm voor wraking noemt feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het bezwaar dat verzoeker tegen [naam] inbrengt, ziet op het feit dat [naam] deel uitmaakt van de rechtbank Arnhem, waarvan verzoeker zegt het gezag niet te erkennen. Deze omstandigheid levert geen grond tot wraking op, nu daaruit niet de partijdigheid van [naam] volgt. Dat [naam] om een andere reden, bijvoorbeeld door uiting of houding, zich jegens verzoeker partijdig heeft gedragen, is niet gesteld of gebleken. Ten slotte levert ook de inhoud van het door verzoeker ter terechtzitting overgelegde schriftelijk stuk, dat handelt over het einde van de ambtelijke loopbaan van verzoeker, geen aanwijzingen op voor de veronderstelling dat [naam] vooringenomen is geweest.
Een en ander betekent dat het verzoek om wraking van [naam] moet worden afgewezen.
De beslissing
De rechtbank, beschikkende,
wijst het verzoek om wraking van [naam] af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.G. Smedema, voorzitter, H.P.M. Kester en T.P.E.E. van Groeningen, rechters, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2006.
Bij afwezigheid van de voorzitter tekent de oudste rechter.
de griffier de rechter
[x]