ECLI:NL:RBARN:2006:AW5218
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- E. Klein Egelink
- J. Barrau
- G.H.W. Bodt
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending rechtszekerheidsbeginsel
Eisers ontvingen sinds 1985 bijstand, aanvankelijk als alleenstaande en alleenstaande ouder. Het college van burgemeester en wethouders van Ede stelde bij besluiten van maart 2004 vast dat eisers een gezamenlijke huishouding voerden en dat het recht op bijstand per 1 februari 2003 was beëindigd vanwege werkzaamheden van eiser bij een café waarvan de omvang en inkomsten onbekend waren. De bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2004.
De rechtbank overweegt dat de Wet werk en bijstand (WWB) van 1 januari 2004 van toepassing is op de terugvordering, maar dat terugvordering over de periode tot 31 december 1998 niet mogelijk is omdat dit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Eisers hadden tegen eerdere besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor deze rechtens onaantastbaar zijn geworden. De rechtbank vernietigt daarom het deel van het besluit dat terugvordering van de bijstand over die periode van eiser eist.
Verder oordeelt de rechtbank dat de aanvraag van bijstand per 1 februari 2003 terecht is afgewezen omdat eisers geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden hebben aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag is ongegrond. De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van eisers en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over de periode tot 31 december 1998 wordt vernietigd wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel; het overige beroep wordt afgewezen.