ECLI:NL:RBARN:2006:AU9960
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Klein Egelink
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunning meerderjarige dochter
Eiser, een Nederlander, vroeg bijzondere bijstand aan voor legeskosten van een verblijfsvergunning voor zijn partner en meerderjarige dochter. De gemeente weigerde deze bijstand omdat partner en dochter ten tijde van de aanvraag nog in afwachting waren van een verblijfsvergunning. De rechtbank stelde vast dat de echtgenote inmiddels met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning had gekregen en daarmee rechtmatig in Nederland verbleef, waardoor de afwijzing onterecht was.
De rechtbank oordeelde echter dat de legeskosten voor de dochter geen kosten van eiser zelf zijn, omdat zij meerderjarig is en niet tot het gezin volgens de WWB behoort. Daarom is de aanvraag voor haar bijstand terecht afgewezen. Voor de echtgenote oordeelde de rechtbank dat hoewel het besluit onjuist was gemotiveerd, er geen bijzondere omstandigheden waren die verweerder verplichten tot het verstrekken van bijzondere bijstand.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de echtgenote betrof, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Daarnaast veroordeelde zij de gemeente in de proceskosten van eiser. De uitspraak bevestigt dat legeskosten voor een verblijfsvergunning tot de normale noodzakelijke kosten behoren die uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor de echtgenote, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; voor de dochter wordt het beroep ongegrond verklaard.