ECLI:NL:RBARN:2005:AU5615
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering bank tot betaling op grond van borgstelling en pandrecht afgewezen wegens geen schuldeisersverzuim
De zaak betreft een vordering van ING Bank N.V. tegen een borgsteller die zich had verbonden voor kredieten verstrekt aan twee vennootschappen waarvan zij directeur en aandeelhouder was. De bank vorderde betaling van openstaande bedragen uit hoofde van borgstellingen en verpanding nadat de vennootschappen niet aan hun verplichtingen konden voldoen.
De borg stelde zich op het standpunt dat de bank zelf in gebreke was gebleven door onzorgvuldig te handelen, onder meer door het stellen van onredelijke voorwaarden voor continuering van de kredietfaciliteiten en het afschrikken van potentiële investeerders, wat heeft geleid tot faillissement en betalingsonmacht. De rechtbank oordeelde echter dat de bank niet in gebreke was gebleven, omdat zij redelijkerwijs kon weigeren krediet te verruimen en het aantrekken van vreemd risicodragend kapitaal terecht als voorwaarde stelde.
De rechtbank wees de stelling van schuldeisersverzuim af en bevestigde dat de borg dezelfde verweermiddelen heeft als de hoofdschuldenaar, maar dat deze niet slaagden. De bank kon daarom nakoming vorderen. De vordering tot betaling van incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De borg werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen vermeerderd met wettelijke rente en in de proceskosten.
Uitkomst: De borg wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen en rente, maar de vordering tot incassokosten wordt afgewezen.