ECLI:NL:RBARN:2005:AT9333
Rechtbank Arnhem
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging voorwaardelijke ontbindingsbeschikking arbeidsovereenkomst
De werkgever vordert in een voorlopige voorziening dat de tenuitvoerlegging van een beschikking tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst. Dit omdat er nog geen definitief rechterlijk oordeel in een bodemprocedure is over het ontslag op staande voet dat aan de werknemer is gegeven.
De kantonrechter overweegt dat het vonnis in kort geding van 11 mei 2005, waarin is geoordeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet onvoldoende is gebleken, voorlopig bindend is omdat geen hoger beroep is ingesteld. Dit vonnis leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst op dat moment nog bestond. De voorwaardelijke ontbindingsbeschikking is uitgesproken onder de voorwaarde dat er nog een arbeidsovereenkomst bestaat, en deze voorwaarde kan op elk moment worden beoordeeld, ook zonder onherroepelijke bodemuitspraak.
De kantonrechter wijst het verzoek van de werkgever af omdat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het kortgedingvonnis onjuist is of dat de werknemer zich daar niet op kan beroepen. Het restitutierisico voor de werkgever wordt als gering ingeschat, mede omdat het om een relatief klein bedrag gaat en de werknemer inmiddels weer aan het werk is. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging voorwaardelijke ontbindingsbeschikking wordt afgewezen.