ECLI:NL:RBARN:2005:AT6056

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
6 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/3146
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:1 WazoArt. 29a ZwArt. 31 ZwArt. 8:74 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op zwangerschaps- en bevallingsuitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkzaam als managementassistente, werkte vier dagen per week en meldde zich wegens zwangerschapsklachten vanaf 19 april 2004 voor 50% ziek. Zij vroeg zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen aan op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Verweerder kende zwangerschapsuitkering toe vanaf 2 juni 2004 en bevallingsuitkering van 9 juli tot 17 september 2004 toe, een periode van tien weken.

Verweerder stelde dat de weken 6 en 5 voor de vermoedelijke bevallingsdatum als zwangerschapsverlof telden omdat eiseres ziekengeld ontving, ondanks dat zij twee dagen per week werkte. De rechtbank oordeelde dat feitelijk alleen de dagen waarop eiseres niet werkte en ziekengeld ontving als zwangerschapsverlof gelden. De dagen waarop zij werkte en salaris ontving, kunnen niet als ziekengelddagen worden aangemerkt.

De rechtbank vernietigde het besluit van verweerder en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen waarbij alleen de niet-gewerkte dagen meetellen voor het zwangerschapsverlof. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit waarbij alleen de niet-gewerkte dagen meetellen voor het zwangerschapsverlof.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 04/3146
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[eiseres], eiseres,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. W.H.J.M. Feliks,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 november 2004, uitgereikt door het UWV, kantoor Nijmegen.
2. Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2004 heeft verweerder beslist inzake het recht van eiseres op een zwangerschapsuitkering en een bevallingsuitkering in het kader van de Wet arbeid en zorg (Wazo).
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart 2005. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. W.H.J.M. Feliks te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.H. Nuyens, werkzaam bij het UWV, kantoor Nijmegen.
3. Overwegingen
Ten tijde van belang was eiseres werkzaam als managementassistente bij een automatiseringsbedrijf, gedurende 4 dagen (32 uur) per week. Ingaande 19 april 2004 meldde eiseres zich wegens zwangerschapsklachten ziek voor 50%. Naast haar uitkering krachtens de Ziektewet (Zw) bleef zij 2 dagen per week werken. Tevens verzocht eiseres verweerder om toekenning van een zwangerschaps- en een bevallingsuitkering krachtens de Wazo. De vermoedelijke bevallingsdatum was 29 juni 2004. Eiseres koos als ingangsdatum van het zwangerschapsverlof 2 juni 2004, 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum. De bevalling vond plaats op 8 juli 2004.
Verweerder heeft beslist dat aan eiseres ingaande 2 juni 2004 een zwangerschapsuitkering wordt toegekend en van 9 juli 2004 tot en met 17 september 2004 een bevallingsuitkering. Deze bevallingsuitkering betreft derhalve een periode van 10 weken.
Artikel 3:1 van Pro de Wazo luidt - voor zover van belang - als volgt:
“1. De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2. Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling (....) tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
3. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling (....) minder dan zes weken heeft bedragen.
4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij rechte heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.”
Artikel 31, tweede lid, van de Ziektewet (Zw) luidt als volgt:
“De verzekerde ontvangt aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft.”
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat, aangezien eiseres arbeidsongeschikt was en ziekengeld genoot in week 6 en week 5 vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, die weken tellen als had eiseres zwangerschapsverlof genoten. Het bevallingsverlof wordt daarom niet verlengd met die weken. Dat eiseres in die weken voor 50% werkte doet daaraan volgens verweerder niet af, nu de Zw geen gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kent.
Eiseres is van mening dat zij recht heeft op 12 weken bevallingsverlof. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat zij recht heeft op verlenging van de 10 weken bevallingsverlof met de dagen die zij in week 6 en week 5 voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft gewerkt.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag over welke dagen in week 6 en week 5 voor de vermoedelijke bevallingsdatum eiseres ziekengeld heeft genoten als bedoeld in artikel 3:1, vierde lid, van de Wazo.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Zw ziekengeld heeft ontvangen in verband met het feit dat zij in week 6 en week 5 voor de vermoedelijke bevallingsdatum wegens ziekte 4 dagen niet heeft gewerkt. Wat betreft de hoogte van het ziekengeld gaat de rechtbank er van uit dat eiseres, vanwege het feit dat zij 2 dagen per week werkte en over die dagen salaris ontving, ziekengeld heeft ontvangen conform artikel 31, tweede lid, van de Zw. Een en ander komt er op neer dat eiseres in de bedoelde weken voor 50% salaris heeft ontvangen en voor 50% ziekengeld.
Hoewel het formeel zo is dat eiseres over alle dagen in week 6 en week 5 voor de vermoedelijke bevallingsdatum ziekengeld heeft ontvangen, waarbij de hoogte van het ziekengeld vanwege het door eiseres ontvangen salaris is verlaagd op grond van artikel 31, tweede lid, van de Zw, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige situatie er feitelijk op neer komt dat eiseres salaris heeft genoten over de gewerkte dagen en ziekengeld heeft genoten over de dagen waarop zij niet heeft gewerkt. Er moet immers van uit worden gegaan dat de werkgever van eiseres salaris aan haar heeft betaald voor de gewerkte dagen. Derhalve kan niet worden gezegd dat zij over die gewerkte dagen ziekengeld heeft genoten. Een andersluidend oordeel zou in strijd zijn met de maatschappelijke realiteit.
Dit betekent dat ingevolge artikel 3:1, vierde lid, van de Wazo alleen de niet-gewerkte dagen in de bedoelde weken worden aangemerkt als dagen waarover eiseres zwangerschapsverlof heeft genoten.
Dat eiseres - zoals verweerder terecht heeft gesteld – in de bedoelde weken volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Zw was omdat zij haar werk niet in volle omvang kon verrichten, doet aan het voorgaande niet af, nu voor de toepassing van artikel 3:1, vierde lid, van de Wazo niet bepalend is of eiseres arbeidsongeschikt in de zin van de Zw was, maar over welke dagen zij ziekengeld heeft genoten.
Het voorgaande betekent dat verweerder bij het vaststellen van het bevallingsverlof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard. De overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 6 september 2004 met inachtneming van deze uitspraak.
De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van rechtsbijstand en € 6 aan reiskosten.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van Pro de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 6 september 2004 met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 650 en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. Post , rechter, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2005.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 6 april 2005