ECLI:NL:RBARN:2004:AR5872
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens onvoldoende bewijs van RSI als beroepsziekte bij ambtenaar
Eiser, werkzaam als hoor/beslis medewerker bij de IND, leed aan RSI-achtige klachten en verzocht zijn aandoening als beroepsziekte aan te merken op grond van artikel 35, onder c, van het ARAR. Verweerder weigerde dit omdat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd die een voldoende mate van waarschijnlijkheid boden dat zijn ziekte hoofdzakelijk door zijn werkzaamheden was veroorzaakt.
Eiser bracht medische verklaringen in van een oefentherapeut en een chirurg, die algemene stellingen over RSI en carpaal tunnelsyndroom gaven, maar geen specifiek causaal verband met het werk konden aantonen. Ook een verzekeringsgeneeskundige en een bedrijfsarts leverden verklaringen die onvoldoende onderbouwd waren of geen relatie met het werk konden bevestigen.
De rechtbank overwoog dat eiser zich in het eerste halfjaar van zijn dienstverband in een leertraject bevond zonder langdurige statische belasting of repeterende bewegingen, en dat het carpaal tunnelsyndroom al in die periode was ontstaan. Hierdoor ontbrak een aannemelijk causaal verband tussen de aard van de werkzaamheden en de ziekte.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende feiten had aangedragen om het standpunt van verweerder te weerleggen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs dat RSI in overwegende mate door het werk is veroorzaakt.