ECLI:NL:RBARN:2001:AB0361
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- G. Bracht
- T.P.E.E. van Groeningen
- A.M. van Gorp
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor causaliteit bij vliegtuigcrash
De rechtbank Arnhem behandelde op 14, 15 en 16 februari 2001 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van betrokkenheid bij een incident waarbij meerdere slachtoffers vielen na een vliegtuigcrash. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk. De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van procesrechtelijke beginselen en het niet beschikbaar stellen van geluidsbanden.
De rechtbank verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid en oordeelde dat het ontbreken van de geluidsbanden niet tot niet-ontvankelijkheid leidde. Het hof had eerder geconcludeerd dat de meeste slachtoffers al kort na de crash overleden waren door hitte en rookvergiftiging, en dat het niet met zekerheid kon worden vastgesteld wanneer het dodelijk letsel bij de overlevenden was ingetreden.
De rechtbank achtte niet bewezen dat een eerdere alarmering of komst van de regionale brandweer het reddingsproces zodanig had kunnen versnellen dat dit het overlijden of ernstig letsel van slachtoffers had kunnen voorkomen. Hierdoor ontbrak het noodzakelijke causaal verband tussen het handelen van verdachte en de gevolgen voor de slachtoffers.
Op grond van deze overwegingen sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs voor de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor causaliteit tussen zijn handelen en het overlijden of ernstig letsel van slachtoffers.