ECLI:NL:RBAMS:2026:985

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
12016636 \ KK EXPL 25-868
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628a BWArt. 7:668 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens beëindiging Fase B-uitzendcontract per 1 oktober 2025

De zaak betreft een kort geding tussen een uitzendkracht en Randstad over de vraag of het Fase A-contract van de uitzendkracht per 21 augustus 2022 is overgegaan in een Fase B-contract, dan wel pas per 2 januari 2023. De uitzendkracht vordert loonbetaling vanaf 1 oktober 2025 en stelt dat zij inmiddels een Fase C-contract voor onbepaalde tijd heeft. Randstad betwist dit en stelt dat het laatste Fase B-contract per 1 oktober 2025 is geëindigd.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is vanwege de loonvordering. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de uitzendkracht onvoldoende heeft onderbouwd dat zij per 21 augustus 2022 een Fase B-contract heeft gekregen. De enkele e-mail en het aanbod van Randstad bieden onvoldoende grond voor gerechtvaardigd vertrouwen op een eerder Fase B-contract. Randstad heeft bovendien aangetoond dat geen contractgegevens zijn verwijderd uit het werknemersportaal.

Verder is voorshands aannemelijk dat het Fase B-contract per 1 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd en dat Randstad tijdig het einde van het contract heeft aangezegd. De loonvordering en overige vorderingen worden daarom afgewezen. De uitzendkracht wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat het Fase B-contract per 1 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd en geen sprake is van een eerder Fase B- of Fase C-contract.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12016636 \ KK EXPL 25-868
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.B. Jansse,
tegen
RANDSTAD UITZENDBUREAU B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Randstad,
gemachtigde: mr. J.M. Caro.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Op de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen, vergezeld door haar partner en bijgestaan door de gemachtigde. Randstad is verschenen, vertegenwoordigd door mr. J. Ruijgrok (bedrijfsjurist) en [naam] ( [functie] ), en bijgestaan door de gemachtigde. Mrs. Jansse en Caro hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier gevoegd.

2.Kern van het geschil

[eiser] heeft een loonvordering ingesteld. Aan die vordering legt [eiser] ten grondslag dat zij op basis van een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam is bij Randstad (te weten een Fase C-contract). Randstad betwist dit en voert aan dat [eiser] laatstelijk in Fase B (voor bepaalde tijd) werkzaam was en dat aan de uitzendovereenkomst van rechtswege een einde is gekomen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is op 23 augustus 2021 in dienst getreden bij Randstad op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding (Fase A). Op de overeenkomst is de ABU-CAO voor Uitzendkrachten 2021-2023, versie augustus 2022 van toepassing.
3.2.
In een e-mail van 25 mei 2022 heeft Randstad aan [eiser] het volgende geschreven:
“We would like to adjust the agreement(s) we have reached with you on your working hours and/or the pay that you receive if there is no work for you from 21-08-2022. We do this so that you will have more certainty regarding your hours and wage payments.”
.
3.3.
In deze e-mail zit een link naar het aanbod van Randstad waarin het volgende staat geschreven:
“Please find below the agreements we want to make with you on your working hours and/or the pay you receive if there is no work for you, for each agency work employment contract and/or secondment agreement from 21 August 2022:
With regard to your agency work employment contract for the position of medewerker klantenservice at [bedrijf] B.V. under placement number [nummer] :
Scope of work: 80 hours per period (4 weeks)
(…) If you agree, you will receive a confirmation of the change (addendum) per agreement. You will find this confirmation in ‘MyRandstad’. You will receive a mail as soon as the confirmation is in your account.”
3.4.
Als gevolg van een wijziging in de CAO is de duur van Fase A verkort van 78 naar 52 weken. Dit betekent concreet dat de uitzendkracht die op 2 januari 2023 in Fase A 52 of meer weken heeft gewerkt, in Fase B instroomt. Fase B duurt vervolgens maximaal drie jaar en als de overeenkomst na het verstrijken van deze termijn wordt voortgezet, is de uitzendkracht werkzaam in Fase C, te weten voor onbepaalde tijd.
3.5.
Op 11 januari 2023 heeft Randstad aan [eiser] een bevestiging gezonden van een nieuwe uitzendovereenkomst (Fase B) ingaande per 2 januari 2023.
3.6.
Per 1 oktober 2025 is de opdracht van [eiser] bij de inlener gestopt. Vanaf dat moment heeft Randstad geen loon meer uitbetaald aan [eiser] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij wege van voorlopige voorziening,
  • Randstad te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 1 oktober 2025 en de wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten,
  • Randstad te bevelen tot overlegging van het Fase B-contract met ingangsdatum 21 augustus 2023, op straffe van een dwangsom,
  • Randstad te bevelen tot wedertewerkstelling van [eiser] , op straffe van een dwangsom,
  • met veroordeling van Randstad in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Als gevolg van het aanbod van Randstad in mei 2022, is [eiser] per 21 augustus 2022 doorgestroomd naar Fase B. Na het doorlopen van de maximale duur van Fase B (drie jaar), is [eiser] per 21 augustus 2025 werkzaam in Fase C en heeft zij dus een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] houdt zich beschikbaar voor werk, zodat Randstad ten onrechte de uitbetaling van het loon heeft gestaakt. Verder voert [eiser] aan dat het eerste Fase B-contract met datum 21 augustus 2022 uit het werknemersportaal door Randstad is verwijderd. Zij heeft dan ook een rechtmatig belang bij afgifte van dit contract door Randstad. Randstad heeft ondanks meerdere verzoeken het contract niet verstrekt.
4.3.
Randstad voert verweer. Randstad betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat zij aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Verder was het aanbod in mei 2022 slechts een proactief aanbod voor urenzekerheid, zoals bedoeld in artikel 7:628a lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat [eiser] op 2 januari 2023 meer dan 52 weken werkzaam was in Fase A is zij, conform de wijziging van de cao, per die datum ingestroomd in Fase B. Vervolgens heeft zij vier contracten voor bepaalde tijd gekregen, waarvan dat laatste per 1 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd. Bij e-mail van 31 augustus 2025 heeft Randstad het einde van het laatste contract aangezegd. Randstad betwist tot slot dat zij documenten uit het werknemersportaal heeft verwijderd.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat in deze zaak om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. [eiser] vordert immers betaling van haar loon om in haar levensonderhoud te voorzien.
5.3.
De kern van het geschil tussen partijen gaat om de vraag of het Fase A-contract van [eiser] per 21 augustus 2022 is overgegaan in een Fase B-contract, zoals [eiser] stelt, of dat dit pas per 2 januari 2023 is gebeurd, zoals Randstad stelt.
5.4.
[eiser] stelt dat haar expliciet is toegezegd dat zij per 21 augustus 2022 een Fase B-contract zou krijgen en dat zij dat contract ook in het portaal van Randstand heeft gezien. Zij vordert daarbij ook dat Randstad dit contract overlegt. [eiser] heeft echter – in het licht van de uitdrukkelijke betwisting van Randstad – deze stellingen niet nader onderbouwd. Bovendien heeft Randstad met een e-mail van haar ICT-afdeling onderbouwd dat geen gegevens uit het portaal zijn verwijderd. Nu voor nadere bewijslevering in kort geding geen plaats is, kan bij deze stand van zaken niet worden geconcludeerd dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat aan [eiser] toezeggingen zijn gedaan en dat daadwerkelijk een Fase B-contract per 21 augustus 2022 heeft bestaan. Gelet hierop zal de kantonrechter de vordering tot overlegging van dit contract afwijzen.
5.5.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [eiser] uit hetgeen Randstad aan haar heeft meegedeeld het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat zij een aanbod voor een Fase B-contract heeft gekregen. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.6.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat een Fase B-contract tot stand is gekomen, heeft [eiser] verwezen naar de e-mail en het aanbod van 25 mei 2022 van Randstad waarin Randstad [eiser] een vaste urenomvang, loondoorbetaling bij ziekte en een verhoogd uurtarief zou aanbieden. Volgens haar zijn dit kenmerken die de overgang naar Fase B markeren. De kantonrechter volgt [eiser] echter niet in haar standpunt. Naar het voorshandse oordeel van de kantonrechter is deze enkele e-mail en het aanbod onvoldoende om daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen te krijgen dat een Fase B-contract is overeengekomen. Randstad heeft te kennen gegeven dat ook tijdens een Fase A-contract het mogelijk is een vaste urenomvang en loondoorbetaling bij ziekte te krijgen en dat betere voorwaarden niet automatisch een conversie naar Fase B betekenen. Volgens Randstad volgt dit uit artikel 7:628a lid 5 BW. Verder heeft Randstad te kennen gegeven dat zij enkel het uurtarief heeft verhoogd op verzoek van [eiser] en na goedkeuring van de opdrachtgever van Randstad. In het licht van dit standpunt van Randstad heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd waaruit volgt dat deze kenmerken enkel bij een Fase B-contract mogelijk zijn en niet bij een Fase A-contract. Uit de cao die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, wordt hierover niets vermeld. Verder weegt mee dat in de e-mail duidelijk staat dat het contract dat zij met Randstad heeft zal worden aangepast en dat in het aanbod staat opgenomen dat als [eiser] akkoord gaat met het aanbod, er een addendum op het huidige contract zal komen. Hieruit heeft [eiser] kunnen afleiden dat geen nieuwe overeenkomst (een Fase B-contract) zou worden gesloten.
5.7.
Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het voorshands niet aannemelijk is dat een rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat het Fase B-contract van [eiser] eerder is ingegaan dan 2 januari 2023. Dit betekent dat evenmin aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in augustus 2025 een Fase C-contract, te weten een contract voor onbepaalde tijd, is ingegaan.
5.8.
Het Fase B-contract van [eiser] is per 1 oktober 2025 van rechtswege geëindigd. Randstad heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat zij de e-mail met de aanzegging van het einde van het Fase B-contract op 31 augustus 2025 aan [eiser] heeft gestuurd en dat die op 27 november 2025 is geopend. Gelet hierop acht de kantonrechter het voorshands aannemelijk dat een rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat Randstad heeft voldaan aan haar verplichting het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te zeggen (zie artikel 7:668 BW Pro).
5.9.
Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Randstad per 1 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd. Gelet hierop heeft [eiser] geen recht op doorbetaling van haar loon en zullen de vorderingen tot betaling daarvan en de wettelijke verhoging worden afgewezen. Ook de vorderingen tot betaling van de BGK en de wedertewerkstelling zullen worden afgewezen.
5.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Randstad worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
610,50

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 610,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
58984