Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:932

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
25/3836
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.27 Wsf 2000Wet studiefinanciering 2000Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: ov-schuld niet toerekenbaar wegens administratieve fout onderwijsinstelling

Eiseres studeerde aan de Hogeschool van Amsterdam en werd per 31 januari 2025 met terugwerkende kracht uitgeschreven, terwijl zij pas in april 2025 officieel afstudeerde en haar studentenreisproduct stopzette. Verweerder legde haar een ov-schuld op voor de periode februari tot en met april 2025 omdat zij niet meer ingeschreven stond.

De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct niet aan eiseres kan worden toegerekend, omdat zij niet op de hoogte was van de terugwerkende uitschrijving. Verweerder stelde dat eiseres de uitschrijving had moeten aanvechten, maar de rechtbank vindt dat dit niet relevant is voor de toerekenbaarheid in de betreffende periode.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept de ov-schuld van € 929,88. Tevens wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden. Eiseres krijgt dus volledig gelijk in haar beroep tegen de ov-schuld.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de ov-schuld omdat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct niet aan eiseres kan worden toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegde ov-schuld. Eiseres voert aan dat zij pas in april 2024 officieel is afgestudeerd en zij haar studentenreisproduct vervolgens tijdig heeft stopgezet. Volgens eiseres is het aan de onderwijsinstelling te wijten dat zij per een eerdere datum is uitgeschreven. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de ov-schuld heeft kunnen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Weliswaar is de uitschrijving van een student een zaak tussen de onderwijsinstelling en de student en mocht verweerder dus in beginsel een ov-schuld opleggen, maar in dit geval kan eiseres niet worden toegerekend dat zij haar studenten reisproduct niet tijdig heeft stopgezet. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 10 mei 2025 heeft verweerder aan eiseres een ov-boete opgelegd van € 929,88.
2.1.
Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft gestudeerd aan de Hogeschool van Amsterdam ( HvA ). In januari 2025 heeft zij haar laatste studieonderdeel met goed gevolg afgerond. De HvA heeft aan verweerder doorgegeven dat eiseres per 31 januari 2025 is uitgeschreven.
3.1.
Eiseres heeft in de periode februari tot en met april 2025 gereisd met haar studentenreisproduct. Nu zij in die maanden niet stond ingeschreven aan een onderwijsinstelling, mocht verweerder in beginsel een ov-schuld opleggen. Eiseres heeft aangevoerd dat zij door een administratieve fout van de HvA pas in april 2025 officieel is afgestudeerd en ook pas toen van de HvA bericht ontving dat zij geslaagd was. Op dat moment heeft eiseres haar studentenreisproduct stopgezet, ruim binnen de termijn die verweerder hanteert voor het beëindigen van het studentenreisrecht.

Overwegingen

4. Op grond van artikel 3.27, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen verplicht er zorg voor te dragen dat het reisproduct is stopgezet op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd. Op grond van het tweede lid van dit artikel ontstaat er een ov-schuld als het studentenreisproduct na deze termijn wordt gebruikt. In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat het tweede lid niet van toepassing is op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.
4.1.
Aan de orde is of het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aan eiseres kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zoals verweerder op de zitting heeft erkend, kon eiseres in de maanden februari, maart en april 2025 niet weten dat zij geen recht had op het studentenreisproduct. De HvA heeft eiseres immers pas later, zonder dat eiseres dit wist, met terugwerkende kracht uitgeschreven per
31 januari 2025.
4.2.
Verweerder stelt dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct toch aan eiseres kan worden toegerekend. Op de zitting heeft hij toegelicht dat de uitschrijving met terugwerkende kracht door de HvA in strijd is met het Studentenstatuut van de HvA van studiejaar 2024-2025 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Eiseres had die uitschrijving per 31 januari 2025 daarom bij de HvA moeten aanvechten en moeten verzoeken haar uitschrijfdatum aan te passen naar 1 mei 2025, de datum waarop zij zich zelf heeft uitgeschreven. Dan had zij wel recht gehad op het reisrecht voor de maanden februari, maart en april 2025 en zou de ov-schuld niet verschuldigd zijn. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de HvA bereid is om de uitschrijfdatum aan te passen naar
1 mei 2025. Dit volgt volgens verweerder uit een recent bericht van de HvA aan verweerder waaruit hij op de zitting heeft geciteerd. Nu eiseres de uitschrijving met terugwerkende kracht niet bij de HvA heeft aangevochten kan eiseres worden toegerekend dat zij het reisrecht niet tijdig heeft stopgezet, aldus verweerder.
4.3.
De rechtbank gaat in dit standpunt niet mee. Wat er ook zij van de mogelijkheden die eiseres op dit moment heeft om haar uitschrijfdatum aan te laten passen en het er op die manier toe te leiden dat de ov-schuld vervalt, geldt dat de rechtbank moet beoordelen of het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct aan eiseres kan worden toegerekend. Bij die toets is geen plaats voor een beoordeling of eiseres toegerekend kan worden dat zij de ov-schuld achteraf niet ongedaan heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, zevende lid, van de Wsf 2000 gaat het om de toerekenbaarheid van het niet tijdig stopzetten in de periode waarvoor de ov-schuld is opgelegd, in dit geval februari, maart en april 2025. Nu eiseres, zoals verweerder ook heeft erkend, er toen vanuit mocht gaan dat zij nog was ingeschreven en pas zou worden uitgeschreven nadat zij hier zelf een verzoek toe zou hebben gedaan en vanaf de door haar daarbij genoemde datum, kan het niet aan eiseres worden toegerekend dat zij het studentenreisproduct niet tijdig heeft stopgezet.
4.4.
Verweerder had daarom toepassing moeten geven aan artikel 3.27, zevende lid, van de Wsf 2000 en de ov-schuld niet mogen opleggen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 10 mei 2025, zodat de ov-schuld van € 929,88 vervalt.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het besluit van 10 mei 2025;
  • stelt de ov-schuld vast op nihil en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.