ECLI:NL:RBAMS:2026:84

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
13-242407-25 (tussenuitspraak)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees Aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Frankrijk

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Amsterdam, gedateerd 8 januari 2026, wordt een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) behandeld dat is uitgevaardigd door de Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes, Frankrijk. De rechtbank heeft eerder op 11 december 2025 al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB, evenals over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in Frankrijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Franse autoriteiten geen concrete garanties kunnen bieden over de persoonlijke leefruimte van de opgeëiste persoon, die mogelijk minder dan drie m2 bedraagt. Dit roept vragen op over de schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om te onderzoeken of de omstandigheden kunnen veranderen. De rechtbank heeft ook de beslistermijn voor de overlevering verlengd met 60 dagen, zodat er voldoende tijd is om de situatie te heroverwegen. De zaak zal opnieuw worden ingepland na de gestelde termijn, met de mogelijkheid om de overlevering te weigeren als de omstandigheden niet verbeteren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-242407-25
Datum uitspraak: 8 januari 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2024 door de Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes (
Procureur de la République du Tribunal Judiciaire de Rennes), Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 11 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst om de antwoorden op de vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 2 OLW en artikel 11 OLW af te wachten.
De zitting van 27 november 2025
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.
De tussenuitspraak van 11 december 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de toetsing van artikel 11 OLW te vragen om een concrete, feitelijke invulling te geven aan de begrippen: ‘een korte tijd’, ‘bij gelegenheid’ en ‘in geringe mate’, teneinde een vermoedelijke schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU te kunnen weerleggen. [3]
Ook heeft rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 31 december 2025
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 11 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag, de inhoud en genoegzaamheid van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4), en over de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Frankrijk

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 6 van de tussenuitspraak van 11 december 2025. [4] De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen dat de Franse autoriteiten in de aanvullende informatie van 13 oktober 2025 en 3 november 2025 hebben aangegeven dat de opgeëiste persoon ‘
most likely’in Rennes-Vezin zal worden gedetineerd en dat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2 in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal hebben. De rechtbank heeft voorts, onder verwijzing van de zaak
Dorobantu [5] , overwogen dat in dat geval sprake is van een sterk vermoeden van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dat dit sterke vermoeden normaliter alleen kan worden weerlegd als voldaan is aan de volgende cumulatieve eisen:
de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale drie m2;
hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel wordt geboden en buiten de cel passende activiteiten worden aangeboden; en
in de inrichting in het algemeen sprake is van decente detentieomstandigheden en de betrokkene niet wordt onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden.
De Franse autoriteiten hebben in de aanvullende informatie van 24 november 2025 aangegeven dat aan de eerste voorwaarde wordt voldaan en dat dit in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens zal zijn. De rechtbank heeft op 11 december geoordeeld dat deze informatie te algemeen is geformuleerd om concreet te kunnen vaststellen dat de persoonlijke ruimte inderdaad enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale drie m2. De rechtbank zag daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen om via de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen een concrete, feitelijke invulling te geven aan de begrippen: een korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate.
In een mailbericht van 12 december 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“1. How often do reductions in the required minimum person space of 3sq m occur? And in what case do these reductions occur?
2. If such reductions happen, for how long do they typically last?
3. How significant are these reductions in personal space? Specifically, by how much is personal space reduced when such a reduction occurs? (…)”
The Magistrate of the Office for international mutual assistance in criminal matters of the French Ministry of Justiceheeft per e-mailbericht van 18 december 2025 – voor zover relevant – de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) All the details that the French authorities are able to provide you (…) have been provided in the two letters of guarantee that we sent you. We are unable to make any commitments on matters beyond our control, given the changes in occupancy rates at the prison concerned (…).
Indeed, due to the methodological difference in calculating cell size and personal space available to each prisoner (…) it is not possible for the French authorities to provide the guarantees requested regarding the minimum space available to prisoners when they are handed over to the French judicial authorities. (…)
We refer to the developments in our two previous response letters dated October 13 and 30, 2025, which clearly and in detail establish that Mr. [de opgeëiste persoon] will have access, if he so wishes, to cultural and sports activities, visiting times in a dedicated space, outdoor walking times, and the necessary care to address any potential health issues, all of which ensure that any potentially reduced personal space would only be temporary and occasional.”
4.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten geen garantie kunnen geven voor een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2. Bovendien is geen concreet antwoord gegeven op de gestelde vragen over de concrete en feitelijke invulling van de begrippen: een korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate. Hierdoor blijft een individueel gevaar bestaan dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden. De raadsvrouw ziet er geen fiducie in om aanvullende vragen te stellen, omdat het onaannemelijk is dat zich binnen een redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden zal voordoen die het individuele gevaar voor opgeëiste persoon kunnen wegnemen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de overlevering worden toegestaan. Indien de Franse autoriteiten vermelden dat vermindering van de persoonlijke leefruimte tot onder de norm van drie m2 slechts van korte duur is, in geringe mate en bij gelegenheid voorkomt, dient gelet op het vertrouwensbeginsel te worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie en conclusie.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 18 december 2025 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Hiervoor is het volgende van belang.
Voor de opgeëiste persoon kan niet worden gegarandeerd dat hij in een meerpersoonscel beschikt over een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2. Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen, bestaat hierdoor een sterk vermoeden van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit vermoeden kan uitsluitend worden weerlegd indien concrete informatie wordt verstrekt waaruit blijkt dat de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale drie m2.
De Franse autoriteiten stellen dat een eventuele beperkte persoonlijke ruimte slechts “
temporary” and “
occasional” zou zijn, aangezien de opgeëiste persoon onder meer toegang zal hebben tot culturele- en sportactiviteiten, bezoektijden in een speciaal daarvoor bestemde ruimte, wandeltijden in de buitenlucht en toegang zal hebben tot de nodige gezondheidszorg. Daarmee wordt echter geen concrete invulling gegeven aan de tijd of periode waarin de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een oppervlakte van minder dan drie m2 persoonlijke ruimte. Het voor de opgeëiste persoon bedoelde algemene reële gevaar is met de aanvullende informatie van 18 december 2025 dan ook niet weggenomen.
De rechtbank stelt daarmee vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Rennes-Vezin als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 6 februari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 12 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

5.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de gestelde termijn (die verstrijkt
op 6 februari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen(
eindigend op 13 maart 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
60 dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9910.
4.Rb. Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9910.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 oktober 2019, zaak Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857), punt 72.