Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:765

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/13/773802 / JE RK 25-584
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens vertraagde hulpverlening

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij pleegzorg, ingediend door de gecertificeerde instelling (GI). De kinderrechter heeft op 20 januari 2026 de mondelinge behandeling gehouden, waarbij betrokkenen zoals de moeder, stiefvader, vertegenwoordigers van de GI en hulpverleners aanwezig waren. De minderjarige was niet aanwezig vanwege praktische redenen.

De GI heeft toegelicht dat het streven is om de minderjarige weer thuis te laten wonen, maar dat dit zorgvuldig moet gebeuren met begeleiding van intensieve pedagogische gezinsbegeleiding (IPG). De start van IPG laat op zich wachten vanwege een wachtlijst. De omgang tussen moeder en minderjarige verloopt positief, maar de moeder heeft vanwege niet-aangeboren hersenletsel (NAH) moeite met het stellen van grenzen. De hulpverlening via Akwaabazorg wordt als belangrijk gezien en moet worden voortgezet.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is omdat de hulpverlening nog niet is gestart en het onduidelijk is of de thuissituatie veilig en adequaat is. Er wordt een termijn van zes weken gegeven om de start van IPG te realiseren en een opbouwschema voor thuisplaatsing te maken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er wordt een vervolgzitting gepland eind februari 2026 om de voortgang te bespreken.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd voor zes weken wegens vertraagde hulpverlening en onduidelijkheid over veilige thuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/773802 / JE RK 25-584
Datum mondelinge uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. D.H. Stibbe, advocaat te Amsterdam,
en
[minderjarige] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader], hierna te noemen de stiefvader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter houdt rekening met de beschikking van 25 september 2025, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij deze beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 oktober 2026 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 2 februari 2026 onder aanhouding van de resterende acht maanden van dit verzoek.
1.2.
De kinderrechter heeft kennis genomen van een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling, op de rechtbank ontvangen op 3 december 2026. Nu er reeds een verzoekschrift aanhangig was en de inhoud van het verzoek feitelijk een beschrijving is van het verloop van de beschermingsmaatregelen, beschouwt de kinderrechter dit verzoek als een toelichting op het voorliggende verzoek.
1.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
.
  • de heer [medewerker GI 1] en mevrouw [medewerker GI 2] , namens de GI;
  • de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Engels;
  • de stiefvader, bijgestaan door een tolk Engels;
  • mevrouw [medewerker Akwaabazorg] , namens Akwaabazorg.
1.3.
[minderjarige] is opgeroepen, maar was niet aanwezig, nu niet goed was geregeld wie [minderjarige] naar de zitting toe zou brengen.

2.De verdere standpunten

2.1.
De GIheeft op de mondelinge behandeling onder verwijzing naar de inleidende stukken gepersisteerd bij het verzoek. De GI heeft ter toelichting het volgende verklaard.
De heer [medewerker GI 1] en mevrouw [medewerker GI 2] zijn vanaf 1 januari 2026, na het uit dienst treden van de vorige gezinsmanager, als gezinsmanagers bij de moeder en [minderjarige] betrokken. Het streven is dat [minderjarige] weer bij moeder thuis gaat wonen. Dat wil [minderjarige] ook. Het toewerken naar huis moet zorgvuldig worden opgebouwd en het verblijf van [minderjarige] thuis moet goed worden begeleid door IPG. De GI heeft nog geen planning van de opbouw van de omgang gemaakt, maar wel kan al snel worden gestart met één nacht thuis slapen. Afhankelijk van hoe dat is verlopen, kan het verblijf thuis, ook als IPG nog niet is gestart, langzaam worden uitgebreid tot [minderjarige] weer volledig thuis woont. De hoop is zij binnen een half jaar weer volledig thuis woont, maar dat hangt af van hoe het toewerken naar een thuisplaatsing verloopt en of er hulp in de thuissituatie is. De voornaamste zorg in de relatie tussen de moeder en [minderjarige] is dat [minderjarige] de moeder thuis de baas is. Om daar zicht op te hebben, is het van belang dat IPG in de thuissituatie wordt ingezet. Die hulp is aangevraagd, maar er is een wachtlijst en onduidelijk is wanneer deze hulp kan starten. De GI zal met Levvel contact opnemen over de noodzaak van een spoedige start van IPG. Als IPG nog drie maanden op zich laat wachten, heeft de GI de mogelijkheid om te escaleren naar een hoger niveau in de organisatie van de GI.
Op dit moment wordt er ondersteuning geboden door Levvel pleegzorg en door Akwaabazorg. Naast de begeleiding van de pleegouders is pleegzorg ook verantwoordelijk voor het contact met de ouders. Pleegzorg begeleidt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Pleegzorg komt één keer per week bij de moeder langs, maar is dit jaar nog niet bij de moeder geweest. Hoewel de GI daarom heeft verzocht, heeft de GI van Levvel pleegzorg geen verslaglegging ontvangen.
De GI heeft Akwaabazorg ter zitting van 20 januari 2026 horen zeggen dat de hulpverlening aan de moeder sinds 1 januari 2026 wordt afgeschaald. De GI zal ervoor zorgdragen dat deze hulpverlening kan blijven doorlopen nu die hulp van belang is.
[minderjarige] heeft de begeleiding van Qpido positief afgesloten. Er is uitdrukkelijk aangetekend dat er geen zorgen zijn over haar seksuele veiligheid. De signalen over onveiligheid bij de stiefvader zijn niet bevestigd. Voor de GI is het dan ook geen issue.
Het gaat beter met [minderjarige] op school en haar pleegouders zeggen dat het beter met haar gaat. Wel heeft zij discipline en structuur nodig. De GI zoekt thans uit welke hulp voor [minderjarige] nodig kan zijn en is bezig om samen met [minderjarige] een sport die zij kan beoefenen uit te zoeken.
De gezondheidsproblemen aan de zijde van de pleegouders zijn over. Zij staan open voor een gedeeltelijke omgangsregeling met [minderjarige] , mocht dat nodig zijn.
De GI heeft geen onderzoek verricht naar het netwerk van de moeder, omdat IPG gaat starten en te veel hulpverlening averechts kan werken.
2.2.
. Akwaabazorgheeft verklaard dat zij één keer per week bij de moeder thuis komt. Zij ziet ook [minderjarige] bij de moeder thuis en heeft contact met de school van [minderjarige] . Akwaabazorg geeft de moeder tools. De moeder heeft wegens haar niet aangeboren hersenletsel (NAH) veel herhaling en begeleiding nodig, mede hierop gericht dat [minderjarige] de moeder . Met hulp van Akwaabazorg heeft de moeder thuis een kamer voor [minderjarige] ingericht ter voorbereiding voor als [minderjarige] thuis komt slapen. De pleegouders zien dat [minderjarige] veel baat heeft gehad bij de hulpverlening en zien positieve veranderingen bij haar. Het lijkt erop dat de opvang van [minderjarige] voor de pleegouders nu wel draagbaar is. Helaas is de financiering voor hun zorg nu niet meer beschikbaar dus Akwaabazorg vraagt aan de GI om de zorg vanuit de GI aan te vragen.
2.3.
De moederheeft verklaard dat het goed gaat tussen de moeder, de stiefvader en [minderjarige] . [minderjarige] komt elke dag na school bij de moeder en blijft dan tot en met het avondeten. Daarna brengt de stiefvader [minderjarige] met de bus naar de pleegouders. Ook op zondag in de kerk zien [minderjarige] en moeder elkaar. Als [minderjarige] bij de moeder thuis is, is er geen hulpverlening bij. De moeder heeft soms wel bezoek van [medewerker Akwaabazorg] van Akwaabazorg. Zij praat met de moeder, legt uit hoe dingen ook anders gedaan kunnen worden en zij geeft de moeder nuttige opvoedtips.
2.4.
De advocaat van de moederheeft aangevoerd dat de moeder begrijpt dat de veiligheid van [minderjarige] voorop staat en dat de zorgen destijds misschien niet helemaal onterecht waren. De moeder wil het beste voor [minderjarige] en werkt mee aan het huidige kader en hulpverlening. Zij gaat akkoord met een verlenging van de uithuisplaatsing, omdat de hulp nog niet volledig is opgestart en het monitoren daarvan belangrijk is. Tegelijk is er veel bereikt. [minderjarige] verblijft iedere dag tot na avondeten bij de moeder en dat wordt positief ervaren. Akwaabazorg zegt dat de omgang warm en liefdevol verloopt.
De moeder wil perspectief. De kamer van [minderjarige] bij de moeder is helemaal opgeknapt. De eerste overnachting heeft nog niet plaatsgevonden. Het had in de rede gelegen dat dat in de afgelopen vier maanden wel was gebeurd. Belangrijk is dat een tijdlijn en een opbouwschema worden gemaakt. Nu er in de afgelopen vier maanden te weinig is gebeurd, verzoekt de moeder de uithuisplaatsing voor kortere duur te verlengen om op een nog te plannen zitting te bezien welke stappen er zijn gezet.
2.5.
De stiefvaderheeft verklaard dat hij na de vorige zitting met de GI heeft gesproken. Er was een afspraak de dag na de vorige zitting. Ook heeft hij verklaard dat hij veel thuis aanwezig is, hij werkt in de avonduren als kok.

3.De beoordeling

3.1.
De kinderrechter is op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat
een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] Een thuisplaatsing van [minderjarige] is op dit moment niet in haar belang, omdat de inzet van de hulpverlening van IPG (van Levvel) in de thuissituatie bij de moeder nog niet is gestart en nog onvoldoende duidelijk is of de moeder en de stiefvader zelfstandig aan [minderjarige] de opvoeding kunnen bieden die zij nodig heeft. In het verleden heeft de moeder in haar opvoedstijl geweld gebruikt tegen [minderjarige] . Moeder zegt er zeker van te zijn dat zij dat niet nogmaals zal doen. Echter, alhoewel moeder zeker van goede wil is en een lieve moeder voor [minderjarige] is, is het ook duidelijk dat moeder vanuit haar NAH [minderjarige] soms lastig aankan en het haar niet goed lukt om [minderjarige] op een goede manier te begrenzen. Het is dan ook belangrijk dat moeder hier veel handvatten voor krijgt en daarnaast onderzocht wordt wat van stiefvader kan worden verwacht om moeder hierin te ondersteunen.
3.2.
De kinderrechter constateert dat over de laatste periode van de uithuisplaatsing geen informatie voorhanden is. Hiertoe is redengevend dat de vaste gezinsmanager is vertrokken en Levvel niet recent meer heeft gerapporteerd aan de GI. Alleen Akwaabazorg is structureel betrokken. Uit de informatie van Akwaabazorg, zoals toegelicht ter zitting, blijkt dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt en de band tussen haar en moeder warm en liefdevol is. De omgangsmomenten verlopen goed. Zowel in de opvoedsituatie buiten huis als in het contact met moeder is sprake van groei, rust en positieve interactie. Wel heeft moeder nog steeds nodig dat de hulpverlening veel herhaalt voordat het bij moeder beklijft. De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI, zoals toegezegd op zitting, zal organiseren dat Akwaabazorg de hulpverlening kan continueren. Zij zijn een vertrouwd gezicht voor moeder en [minderjarige] en van belang is dat zij hoe dan ook betrokken blijven.
3.3.
Helaas is het de GI in de afgelopen periode niet gelukt de gehoopte vooruitgang te boeken op het gebied van de inzet van intensieve hulp in de thuissituatie bij de moeder als ook de uitbreiding van de omgang van [minderjarige] met de moeder. De inzet van IPG laat op zich wachten, omdat het gezin op de wachtlijst staat. De kinderrechter acht het van groot belang dat er de komende tijd stappen worden gezet en dat duidelijk wordt onder welke voorwaarden de thuisplaatsing van [minderjarige] zal plaatsvinden. Een spoedige (al dan niet gedeeltelijke) thuisplaatsing, mits veilig, is in het belang van een gunstige ontwikkeling van [minderjarige] .
3.4.
De kinderrechter zal de machtiging verlengen voor de duur van zes weken onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, in de hoop hiermee de voortgang in de zaak te kunnen bespoedigen en een vinger aan de pols te houden. Wat moet er de komende zes weken gebeuren?
3.5.
De komende zes weken moet duidelijk zijn wanneer IPG in de thuissituatie van de moeder kan starten. Een spoedige start van IPG is van groot belang om een thuisplaatsing van [minderjarige] te kunnen effectueren. Wanneer de IPG niet op korte termijn kan starten, dient er, om de veiligheid van [minderjarige] thuis te waarborgen, een alternatief te worden in gezet. Ook zou een schema gemaakt kunnen worden met daarin de opbouw van het verblijf van [minderjarige] bij de moeder. Dit moet gedekt worden door een veiligheids- en signaleringsplan. Met de GI vindt de kinderrechter het in ieder geval belangrijk dat [minderjarige] in de komende zes weken in ieder geval ook een nacht bij de moeder gaat slapen.
3.6.
Tot slot heeft de GI toegezegd op zoek te gaan naar een sport of een andere buitenschoolse activiteit voor [minderjarige] zodat zij haar energie kwijt kan. Ook gaat de jeugdbeschermer binnenkort zelf in gesprek met [minderjarige] . De kinderrechter vraagt de GI te overwegen op zoek te gaan naar een hulpverlener/vertrouwenspersoon of coach voor [minderjarige] met wie ze structureel en in vertrouwen gesprekken kan voeren.
3.7.
De kinderrechter zal in afstemming met de GI en de advocaat van de moeder op een zitting van de kinderrechter eind februari 2026 ruimte inplannen om op die zitting de stand van zaken met betrekking tot het voorgaande te bespreken.
(Na de zitting is met de GI en de advocaat van de moeder afgestemd dat de zitting wordt voortgezet op 26 februari 2026 om 11.45 uur.)
3.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.De beslissing

De kinderrechter:
4.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de resterende duur van het verzoek, te weten met ingang van 2 februari 2026 voor de duur van zes weken, te weten tot 9 maart 2026;
4.2.
verlangt van de GI drie dagen vóór de volgende zitting een schriftelijke update over
de start van IPG zoals onder 3.5. overwogen;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
houdt het verzoek voor het overige aan;
4.4.
beveelt de oproeping van de GI, de moeder en haar advocaat, de stiefvader en [minderjarige] tegen een nader te bepalen tijdstip op een zitting van de kinderrechter eind februari 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.A. van der Velde als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2026. De griffier is buiten staat de beschikking mee te ondertekenen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.