De GIheeft op de mondelinge behandeling onder verwijzing naar de inleidende stukken gepersisteerd bij het verzoek. De GI heeft ter toelichting het volgende verklaard.
De heer [medewerker GI 1] en mevrouw [medewerker GI 2] zijn vanaf 1 januari 2026, na het uit dienst treden van de vorige gezinsmanager, als gezinsmanagers bij de moeder en [minderjarige] betrokken. Het streven is dat [minderjarige] weer bij moeder thuis gaat wonen. Dat wil [minderjarige] ook. Het toewerken naar huis moet zorgvuldig worden opgebouwd en het verblijf van [minderjarige] thuis moet goed worden begeleid door IPG. De GI heeft nog geen planning van de opbouw van de omgang gemaakt, maar wel kan al snel worden gestart met één nacht thuis slapen. Afhankelijk van hoe dat is verlopen, kan het verblijf thuis, ook als IPG nog niet is gestart, langzaam worden uitgebreid tot [minderjarige] weer volledig thuis woont. De hoop is zij binnen een half jaar weer volledig thuis woont, maar dat hangt af van hoe het toewerken naar een thuisplaatsing verloopt en of er hulp in de thuissituatie is. De voornaamste zorg in de relatie tussen de moeder en [minderjarige] is dat [minderjarige] de moeder thuis de baas is. Om daar zicht op te hebben, is het van belang dat IPG in de thuissituatie wordt ingezet. Die hulp is aangevraagd, maar er is een wachtlijst en onduidelijk is wanneer deze hulp kan starten. De GI zal met Levvel contact opnemen over de noodzaak van een spoedige start van IPG. Als IPG nog drie maanden op zich laat wachten, heeft de GI de mogelijkheid om te escaleren naar een hoger niveau in de organisatie van de GI.
Op dit moment wordt er ondersteuning geboden door Levvel pleegzorg en door Akwaabazorg. Naast de begeleiding van de pleegouders is pleegzorg ook verantwoordelijk voor het contact met de ouders. Pleegzorg begeleidt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Pleegzorg komt één keer per week bij de moeder langs, maar is dit jaar nog niet bij de moeder geweest. Hoewel de GI daarom heeft verzocht, heeft de GI van Levvel pleegzorg geen verslaglegging ontvangen.
De GI heeft Akwaabazorg ter zitting van 20 januari 2026 horen zeggen dat de hulpverlening aan de moeder sinds 1 januari 2026 wordt afgeschaald. De GI zal ervoor zorgdragen dat deze hulpverlening kan blijven doorlopen nu die hulp van belang is.
[minderjarige] heeft de begeleiding van Qpido positief afgesloten. Er is uitdrukkelijk aangetekend dat er geen zorgen zijn over haar seksuele veiligheid. De signalen over onveiligheid bij de stiefvader zijn niet bevestigd. Voor de GI is het dan ook geen issue.
Het gaat beter met [minderjarige] op school en haar pleegouders zeggen dat het beter met haar gaat. Wel heeft zij discipline en structuur nodig. De GI zoekt thans uit welke hulp voor [minderjarige] nodig kan zijn en is bezig om samen met [minderjarige] een sport die zij kan beoefenen uit te zoeken.
De gezondheidsproblemen aan de zijde van de pleegouders zijn over. Zij staan open voor een gedeeltelijke omgangsregeling met [minderjarige] , mocht dat nodig zijn.
De GI heeft geen onderzoek verricht naar het netwerk van de moeder, omdat IPG gaat starten en te veel hulpverlening averechts kan werken.