ECLI:NL:RBAMS:2026:7627

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/13/779741 / JE RK 25-890 en C/13/756745 / JE RK 24-598
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging gesloten jeugdhulp en kritiek op nalatigheid WSS in zaak minderjarige

De rechtbank Amsterdam heeft op 19 mei 2026 een beschikking gegeven waarin de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige wordt verlengd tot 6 juli 2026. Dit om de resterende tijd van de minderjarigheid te benutten om het wonen bij de moeder zo toekomstbestendig mogelijk te maken binnen de kaders van de verplichte hulpverlening.

De kinderrechter constateert dat de WILLIAM SCHRIKKER STICHTING (WSS), ondanks haar verplichtingen uit een mediationovereenkomst, zich onttrekt aan haar ondersteunende rol en verantwoordelijkheid voor deze kwetsbare minderjarige. Deze nalatigheid wordt door de rechter als zeer kwalijk beoordeeld.

JBRA, de gecertificeerde instelling en voogd, handhaaft haar verzoek tot verlenging en pleit voor een tussenstap via een open woongroep, wat door moeder, de minderjarige en de Raad voor de Kinderbescherming wordt afgewezen. De kinderrechter acht een open groep niet passend vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige en benadrukt het belang van een gestructureerde voorbereiding op terugkeer naar moeder.

De omgang tussen de minderjarige en moeder verloopt goed en wordt onder regie van JBRA voortgezet. De rechter verwacht dat de WSS haar verantwoordelijkheid alsnog zal nemen en JBRA zal ondersteunen bij het vinden van passende hulpverlening en ondersteuning voor zowel de minderjarige als de moeder.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd tot 6 juli 2026 met kritische kanttekening over nalatigheid WSS.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/13/779741 / JE RK 25-890 en C/13/756745 / JE RK 24-598
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen JBRA
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. L.M.A. Schwartz uit Amsterdam.
De kinderrechter merkt naast [minderjarige] als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A.J. van Putten uit Almere,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de WSS.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure tot 4 april 2026 is weergegeven in de beschikkingen van 4 april 2026, 6 januari 2026, 14 juli 2025 en 10 juli 2025, welke beschikkingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.
1.2.
Bij beschikking van 4 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 april 2026 tot 25 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Ook heeft de kinderrechter bepaald dat de voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige] en moeder onder regie van JBRA doorloopt.
1.3.
De kinderrechter heeft vervolgens kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder:
- de begeleidende brief van JBRA met bijlagen van 12 mei 2026;
1.4.
Op 19 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad (via telefoonverbinding);
- [naam 2] en [naam 3] , namens JBRA.
1.5.
De WSS is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De WSS heeft op 4 mei 2026 aan de rechtbank laten weten niet te komen omdat zij niet bij de uitvoering van de maatregel van het gezin betrokken zijn.
1.6.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 20 maart 2014 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is JBRA benoemd tot voogd over [minderjarige] .
2.2.
Voor [minderjarige] is een machtiging gesloten jeugdhulp van zes maanden gegeven op 10 juli 2025.
2.3.
Op 20 november 2025 heeft JBRA verzocht opnieuw een machtiging gesloten
jeugdhulp voor zes maanden te verlenen. Bij beschikking van 6 januari 2026 is het verzoek
toegewezen voor een periode van drie maanden, dus tot 6 april 2026. Bij beschikking van 4 april 2026 is het verzoek toegewezen voor een periode van zeven weken, dus tot 25 mei 2026. Het meer verzochte (de periode tot 6 juli 2026) is aangehouden en ligt thans ter beoordeling voor.

3.De nadere standpunten

3.1.
JBRA heeft tijdens de zitting haar verzoek gehandhaafd. Volgens JBRA is het nog steeds een te grote stap om [minderjarige] weer bij zijn moeder te laten wonen. JBRA heeft nog onvoldoende zicht op de thuissituatie bij moeder. Hier is ook geen onderzoek naar gedaan de afgelopen periode, omdat JBRA druk was met het vinden van een andere woonplek. JBRA is daarom van mening dat een open woongroep als tussenstap passend zou zijn. [minderjarige] kan dan meer wennen aan vrijheden en deze tussenstap geeft JBRA meer tijd om de opvoedvaardigheden bij moeder in kaart te brengen. JBRA heeft hiervoor een plek gevonden bij [zorginstelling] . Intussen verloopt de omgang met de moeder goed. Ook heeft [minderjarige] sinds kort weer omgang met zijn vader. Ook dat verloopt goed. [minderjarige] is daar één weekend in de maand.
3.2.
Namens en door moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Na de vorige zitting heeft JBRA een duidelijke opdracht gekregen: zoek uit wat er nodig is om [minderjarige] weer bij moeder te laten wonen. Het is onbegrijpelijk dat JBRA dit nog steeds niet heeft gedaan. JBRA komt nu met een ‘tussenstap’ om [minderjarige] op een open groep te plaatsen, terwijl bij de vorige zitting iedereen het erover eens was dat dat geen goede idee voor [minderjarige] is.
3.3.
Namens [minderjarige] is tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] maar één ding wil en dat is terug naar zijn moeder. De omgang met zijn moeder verloopt goed en dat zou een indicatie moeten zijn dat we verdere stappen moeten maken richting een terugplaatsing. Desondanks komt JBRA nu met een voorstel om [minderjarige] eerst op een nieuwe open woongroep te plaatsen. Dit is onbegrijpelijk gelet op het feit dat tijdens de vorige zitting is besproken dat een verhuizing naar een open groep [minderjarige] meer kwaad dan goed zou doen. Bovendien kan er vanuit die open groep, gezien de locatie ver weg, moeilijk worden gewerkt aan een uitbreiding van de omgang.
3.4.
De Raad heeft geadviseerd de machtiging tot 6 juli 2026 te verlenen en daarna te bepalen dat [minderjarige] terug naar moeder gaat. In die tijd dient een plan te worden gemaakt om de terugkeer van [minderjarige] naar de moeder mogelijk te maken. De WSS moet daarbij betrokken worden. Het is onbegrijpelijk dat deze haar handen van de zaak aftrekt, gezien de uitkomst van de mediation vorig jaar. De Raad ziet geen heil in het plan van JBRA om [minderjarige] eerst nog naar een open groep te verhuizen. Gelet op de problematiek van [minderjarige] is dit te veel van hem gevraagd.

4.De beoordeling

4.1.
[minderjarige] is duidelijk in zijn wens om weer bij moeder te gaan wonen en dit heeft hij ook geuit naar de kinderrechter. Deze wens bestaat al jaren en die wens leeft ook bij de moeder van [minderjarige] . [minderjarige] wordt bijna achttien jaar en de kinderrechter verwacht dat hij dan direct bij zijn moeder zal intrekken. De kinderrechter is van oordeel dat de resterende tijd van zijn minderjarigheid dan ook gebruikt moet worden om – met de kaders van de nu nog aanwezige verplichte hulpverlening - het wonen bij de moeder zo toekomstbestendig als mogelijk voor [minderjarige] te maken. De kinderrechter acht het niet in het belang van [minderjarige] dat hij eerst nog naar een open setting wordt overgeplaatst voordat hij terug gaat naar moeder. [minderjarige] is kwetsbaar en beïnvloedbaar en heeft behoefte aan weinig prikkels en structuur. Een nieuwe setting van een open groep acht de kinderrechter dan ook niet voor hem geschikt. Het is echter ook niet in het belang van [minderjarige] dat hij direct en zonder voorbereiding terugkeert naar zijn moeder. Daarom acht de kinderrechter de gesloten uithuisplaatsing tot 6 juli 2026 nog noodzakelijk. De periode tot 6 juli 2026 zal gebruikt moeten worden om de omgang tussen [minderjarige] en moeder verder uit te breiden, het netwerk van de moeder in kaart te brengen, de juiste ondersteuning en eventuele therapie voor moeder en [minderjarige] te vinden en bij voorkeur ook dagbesteding voor [minderjarige] . De kinderrechter spreekt het vertrouwen uit in de moeder dat zij actief met JBRA aan de slag gaat om in kaart te brengen wat zij nodig heeft om [minderjarige] weer op 6 juli 2026 in huis te kunnen nemen.
4.2.
De kinderrechter merkt daarbij nog het volgende op. Bij de beschikking van 27 augustus 2025 ten aanzien van de gesloten machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] (
C/13/772930) zijn de WSS en JBRA naar mediation verwezen. De reden hiervoor was dat JBRA wenste dat de WSS de voogdijmaatregel zou overnemen, maar de WSS weigerde hiermee in te stemmen. De mediation was bedoeld om onderling tot overeenstemming te komen. Deze mediation is vervolgens geslaagd, waarna de WSS en JBRA zich beiden hebben gecommitteerd om zich in te zetten voor de belangen van [minderjarige] . JBRA zou de voogd blijven, maar de WSS zou een contactpersoon aanstellen om JBRA van advies te voorzien. De kinderrechter vindt het dan ook onbegrijpelijk dat de WSS, na de oproep voor deze zitting, heeft laten weten niets met deze zaak te maken te hebben en, zo heeft JBRA ter zitting verklaard, ook geen ondersteunende rol voor JBRA in wenst te nemen. Daarmee onttrekt de WSS zich aan de verplichtingen die zij met de overeenkomst uit mediation is aangegaan en daarmee ook aan de verantwoordelijkheid die zij over deze kwetsbare minderjarige heeft. Deze nalatigheid van een professionele jeugdhulporganisatie acht de kinderrechter zeer kwalijk. De kinderrechter verwacht dan ook dat de WSS de komende periode wél haar verantwoordelijkheid neemt en JBRA zal ondersteunen bij het vinden van ondersteuning en hulpverlening voor [minderjarige] en moeder. De WSS heeft, gelet op de problematiek van [minderjarige] , immers de noodzakelijk expertise om de juiste hulpverleningsinstanties te vinden.
4.3.
Ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder merkt de kinderrechter op dat deze goed verloopt. Ter zitting heeft JBRA, na verzoek van de moeder hiertoe, ingestemd met een uitbreiding van de omgang voor de dagen aansluitend aan de zitting. De kinderrechter zal dan ook geen verdere beslissing nemen over de omgang nu er verder geen verzoeken voorliggen en de omgang onder regie van JBRA goed gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 6 juli 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven ter zitting van 19 mei 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Diederen als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.