ECLI:NL:RBAMS:2026:7586

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
12168659
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet flexibel werkenArt. 7:611 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek werknemer tot vermindering arbeidsduur op grond van Wet flexibel werken

De werknemer, sinds 2004 in dienst als trambestuurder bij GVB, verzocht meerdere malen om vermindering van haar arbeidsduur van 20 naar 16 uur per week. Ondanks gesprekken en correspondentie over mogelijke aanpassing, werd het verzoek door de werkgever afgewezen vanwege zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen.

De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een toezegging door de werkgever dat de arbeidsduur zou worden aangepast en dat het verzoek van de werknemer niet aan de formele vereisten van de Wet flexibel werken voldeed, met name het ontbreken van een gewenste ingangsdatum. Ook het uitblijven van overleggesprekken leidde niet tot een automatische toewijzing van het verzoek.

De werkgever heeft voldoende onderbouwd dat een rooster van 16 uur per week voor de werknemer technisch en veiligheidsmatig niet haalbaar is, mede vanwege de noodzaak van voldoende rijervaring en de eisen van de vervoersvergunning. De kantonrechter concludeerde dat de zwaarwegende belangen van de werkgever zwaarder wegen dan het verzoek van de werknemer en wees de vorderingen af. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek werknemer tot vermindering arbeidsduur van 20 naar 16 uur per week wordt afgewezen vanwege zwaarwegende belangen van werkgever.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12168659 \ KK EXPL 26-215
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S. Halouchi,
tegen
GVB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: GVB,
gemachtigde: mr. R.L. Kokhuis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- productie 17 van de zijde van [eiser],
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 23 juni 2026 plaatsgevonden. [eiser] is verschenen met haar gemachtigde. Namens GVB zijn [naam 1] ([functie 1]) en [naam 2] ([functie 2]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Mr. Kokhuis heeft spreekaantekeningen overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.
1.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij de zaak willen aanhouden om te kijken of zij overeenstemming kunnen bereiken. Bij e-mail van 6 juli 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht tot het doen van een uitspraak.
1.4.
Hierna is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 1 augustus 2004 in dienst getreden bij GVB als trambestuurder. Op dit moment heeft [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de duur van 20 uur per week.
2.2.
In juli 2023 heeft [eiser] de wens geuit om 16 uur per week te gaan werken. Op 13 juli 2023 heeft [naam 3] (hierna: [naam 3]), de leidinggevende van [eiser], haar een WhatsApp-bericht gestuurd waarin hij vraagt of zij zich al op de wachtlijst voor het [rooster] rooster heeft ingeschreven. Hij schrijft verder dat hij met Arbo en formatiebeheer aan het kijken is hoe dit het beste kan worden ingeregeld.
2.3.
Per 21 juli 2023 is [eiser] ziek gemeld.
2.4.
De afdeling Formatiebeheer van GVB heeft bij e-mail van 8 september 2023 aan [eiser] het volgende geschreven:
“(…) Ik kan je per 1-1-2024 een plekje aanbieden in de RES HAV in het [rooster] rooster (…). Ik krijg graag bericht terug want dan kan ik eea in gang zetten of je van de wachtlijst halen.(…)”.
2.5.
In een ander WA-bericht van [naam 3] aan [eiser] schrijft [naam 3] het volgende:
“(…) we moeten inderdaad het Poortwachter traject (UWV) doorlopen om je raamtijden structureel te kunnen aanpassen. Hiervoor ga ik je langs de bedrijfsarts sturen om het in gang te zetten(…)”.
2.6.
In haar e-mail van 14 november 2023 schrijft [eiser] aan Formatiebeheer dat zij in overleg met haar leidinggevende toch heeft besloten in haar huidige rooster te blijven, dat dit maximaal nog 1,5 jaar zal zijn en dat zij daarna alsnog geplaatst zal worden in het 16U rooster.
2.7.
In het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van 9 juli 2025 staat, voor zover relevant, het volgende:
“(…)
3.6.
Belastbaarheidsgegevens
(…)
Uit de taakomschrijving van het werk dat cliënt doet, namelijk trambestuurster, blijkt niet dat dit werk fysiek zwaar belastend is: dus er zijn geen aanwijzingen dat op dit vlak de belastbaarheid van cliënt wordt overschreden.
(…)
4.1.
Maatgevende arbeid
(…)
Er is sprake van een beperking op werktijden. Mevrouw [eiser] is aangewezen op werktijden tussen 08:00 en 21:00 uur.
(...)”
2.8.
Het Poortwachtertraject is per 21 juli 2025 afgesloten.
2.9.
Bij e-mail van 23 juli 2025 aan [naam 4], de leidinggevende van [naam 3], heeft [eiser] verzocht om over te stappen naar een 16-uurs rooster. In deze e-mail heeft [eiser] geen gewenste ingangsdatum genoemd.
2.10.
De gemachtigde van [eiser] heeft bij e-mail van 29 september 2025 GVB verzocht te bevestigen dat het verzoek van [eiser] zal worden toegepast. Hierop heeft GVB bij e-mail van 4 november 2025 het verzoek van [eiser] tot aanpassing van haar werktijden afgewezen.
2.11.
[eiser] heeft bij e-mail van 30 december 2025 een hernieuwd verzoek ingediend tot aanpassing van haar arbeidsomvang van 20 uur per week naar 16 uur per week. Hierbij heeft zij als gewenste ingangsdatum 6 april 2026 genoemd.
2.12.
Bij brief van 28 januari 2026 heeft GVB dit verzoek afgewezen. Zij heeft wel het verzoek om alleen binnen het tijdvenster van 08:00 uur tot 21:00 uur te werken, gehonoreerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, GVB veroordeelt tot:
I. aanpassing van de arbeidsduur van 20 uur per week naar 16 uur per week, met de arbeidstijden tussen 08:00-21:00 uur, primair vanaf 1 oktober 2025 en subsidiair vanaf 6 april 2026,
op straffe van een dwangsom,
II. betaling van € 425,- aan buitengerechtelijke incassokosten,
III. betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt, kort weergegeven, dat uit de correspondentie met haar leidinggevende en Formatiebeheer volgt dat haar is toegezegd dat haar arbeidsomvang na afronding van het Poortwachterstraject zal worden aangepast naar 16 uur per week. Volgens [eiser] is het in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dat deze aanpassing tot op heden is uitgebleven. Verder stelt [eiser] dat aanpassing van de arbeidsomvang naar 16 uur van rechtswege is ingegaan, aangezien GVB niet tijdig heeft gereageerd op haar verzoek tot aanpassing. Hoewel in haar e-mail van 23 juli 2025 geen ingangsdatum wordt genoemd, was de beoogde ingangsdatum 1 oktober 2025. Gelet hierop had GVB volgens artikel 2, lid 12, van de Wet flexibel werken (Wfw) tot 1 september 2025 de tijd om op dit verzoek te reageren. Zij heeft dit echter pas op 4 november 2025 gedaan. Tot slot stelt [eiser] zich op het standpunt dat GVB geen zwaarwegende belangen heeft bij afwijzing van het verzoek. Volgens [eiser] heeft GVB die belangen onvoldoende onderbouwd en is het mogelijk om 16 uur per week te werken, aangezien er collega’s zijn die dit doen.
3.3.
GVB betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Ook betwist GVB dat aan [eiser] de toezegging is gedaan dat zij 16 uur per week zou kunnen werken. Verder stelt GVB zich op het standpunt dat het verzoek van 23 juli 2025 niet voldoet aan de vereisten volgens de Wfw, omdat de gewenste ingangsdatum ontbreekt. Volgens GVB bestond er daardoor geen termijn waarbinnen zij had moeten reageren en is de aanpassing van de arbeidsomvang niet van rechtswege ingegaan. Ten aanzien van het verzoek van 30 december 2025 stelt GVB zich op het standpunt dat zij zwaarwegende belangen heeft om het verzoek aan te passen. Deze zwaarwegende belangen zijn gelegen in de veiligheid, de bedrijfsvoering en een roostertechnisch belang, aldus steeds GVB.
3.4.
Op stellingen van partijen wordt, voor zover relevant, hierna verder ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Spoedeisend belang
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij heeft ter zitting afdoende toegelicht waarom een werkweek van 20 uur voor haar belastend is en waarom het belangrijk is dat zij zo spoedig mogelijk minder kan gaan werken.
Geen toezegging
4.3.
Uit de hiervoor opgenomen feiten volgt dat in 2023 met [eiser] is gesproken over het aanpassen van haar arbeidsduur naar 16 uur per week. Anders dan [eiser] stelt, volgt naar het voorshandse oordeel van de kantonrechter uit de inhoud van die berichten niet dat aan [eiser] de toezegging is gedaan dat zij ook daadwerkelijk minder zou kunnen werken.
4.4.
De afdeling Formatiebeheer heeft weliswaar in haar e-mail van 8 september 2023 (zie hiervoor onder 2.4.) te kennen gegeven dat zij aan [eiser] per 1 januari 2024 een plekje kan aanbieden in een 16-uursrooster, maar uit die enkele mededeling volgt niet zonder meer dat daarmee ook vaststond dat [eiser] per 1 januari 2024 naar een 16-uursrooster zou overgaan. Er wordt immers enkel te kennen gegeven dat er een plek voor [eiser] is, maar GVB heeft ter zitting toegelicht dat leidinggevenden inhoudelijk moeten beoordelen of het rooster kan worden aangepast en dat Formatiebeheer de bevoegdheid niet heeft daarover toezeggingen te doen. Formatiebeheer kijkt alleen naar de beschikbaarheid. In het licht daarvan heeft [eiser] onvoldoende gesteld en onderbouwd op grond waarvan zij ervan mocht uitgaan dat Formatiebeheer – voor zover [eiser] in haar stelling zou worden gevolgd dat de e-mail van Formatiebeheer een toezegging inhield – de bevoegdheid had haar een toezegging over een verandering van haar arbeidsduur te doen. Ook in samenhang met de WhatsApp-berichten van [naam 3] kan niet voorshands worden geconcludeerd dat aan [eiser] een toezegging is gedaan. Uit de inhoud van die berichten volgt immers enkel dat [naam 3] met [eiser] aan het meedenken is en zich voor haar wil inspannen. Bovendien vonden deze gesprekken in 2023 plaats en heeft [eiser] besloten vanwege het Poortwachterstraject op dat moment af te zien van het aanpassen van haar arbeidsduur. Dat [eiser] na het Poortwachterstraject in 2025 gegarandeerd 16 uur per week zou kunnen werken, kan niet uit de inhoud van de berichten worden afgeleid.
4.5.
Het voorgaande brengt met zich dat de kantonrechter niet aannemelijk acht dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat aan [eiser] een toezegging is gedaan waaruit zij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat haar arbeidsduur naar 16 uur zou worden gewijzigd.
Niet van rechtswege ingegaan
4.6.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsduur met ingang van 1 oktober 2025 van rechtswege is verminderd naar 16 uur per week. De kantonrechter volgt haar echter niet in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.
4.7.
De e-mail van 23 juli 2025 (zie hiervoor onder 2.9.) waarin [eiser] verzoekt om vermindering van haar arbeidsduur voldoet – zoals GVB terecht heeft gesteld – niet aan de formele vereisten. Artikel 2 lid 3 Wfw Pro bepaalt immers dat een dergelijk verzoek schriftelijk moet worden ingediend
onder opgave van het tijdstip van ingang. In haar e-mail van 23 juli 2025 heeft [eiser] echter geen gewenste ingangsdatum genoemd. De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar stelling dat GVB had kunnen begrijpen dat de gewenste ingangsdatum 1 oktober 2025 zou zijn. De wet is immers duidelijk aan welke vereisten een dergelijk verzoek moet voldoen en van GVB kan niet worden verwacht dat zij naar die datum moet gissen.
4.8.
Volgens lid 4 van artikel 2 Wfw Pro dient een werkgever met de werknemer overleg te plegen over diens verzoek. Een dergelijk gesprek is mede bedoeld om de werknemer de gelegenheid te geven om, indien het verzoek geen datum van ingang van aanpassing bevat, dit verzuim te herstellen.
4.9.
Vastgesteld kan worden dat dit gesprek niet tussen partijen heeft plaatsgevonden. De wet verbindt echter geen consequenties als dit gesprek niet plaatsvindt. Hoewel het de voorkeur had gehad dat GVB dit gesprek had gevoerd, acht de kantonrechter het – anders dan [eiser] stelt – niet aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat als gevolg van het uitblijven van dit gesprek aanpassing van de arbeidsduur van rechtswege is ingegaan. Artikel 2, lid 12, Wfw – dat ziet op het van rechtswege ingaan van de aanpassing van de arbeidsomvang – geldt immers alleen als aan de in lid 1 en 3 formele vereisten is voldaan. Bovendien heeft [eiser] alsnog op 30 december 2025 een hernieuwd verzoek ingediend dat wel aan de formele vereisten voldeed.
Zwaarwegende belangen GVB
4.10.
In artikel 2, lid 5, Wfw is bepaald dat het uitgangspunt is dat een werkgever een verzoek tot wijziging van de arbeidsduur moet toewijzen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. In lid 9 is vervolgens bepaald dat bij vermindering van de arbeidsduur in ieder geval sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien die vermindering leidt tot ernstige problemen a) voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren, b) op het gebied van de veiligheid, of c) van roostertechnische aard. Het ligt op de weg van de werkgever om die zwaarwegende belangen te bewijzen.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat GVB in het kader van dit kort geding voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat het technisch niet mogelijk is om een trambestuurder voor 16 uur per week in te roosteren. [eiser] heeft dit weliswaar betwist en gesteld dat andere trambestuurders wel 16 uur per week werken, maar GVB heeft voorshands afdoende toegelicht dat de situaties van deze andere trambestuurders anders zijn dan die van [eiser]. Om te beoordelen of een vermindering van de arbeidsduur van [eiser] daadwerkelijk tot roostertechnische problemen zal leiden, is nadere bewijslevering nodig waarvoor dit kort geding zich echter niet leent.
4.12.
Dit geldt eveneens voor de beoordeling van de vraag of in het kader van de veiligheid een rooster van 16 uur per week niet mogelijk zou zijn. GVB heeft naar het voorshandse oordeel van de kantonrechter in dit kort geding voldoende toegelicht en onderbouwd dat een trambestuurder ‘vlieguren’ moet maken om voldoende rijervaring te behouden op de vereiste tramtypes en in de verschillende baanvakken. Hierbij heeft GVB gewezen op alle verplichtingen waaraan zij als vervoerder moet voldoen. Om die reden heeft GVB haar beleid aangepast waarbij geldt dat voor trambestuurders enkel nog roosters met een minimum van 24 uur worden gehanteerd. Volgens [eiser] zou de Ondernemingsraad over dit beleid niet zijn geraadpleegd. GVB heeft dit echter betwist. In het licht van deze betwisting had het op de weg van [eiser] gelegen deze stelling nader te onderbouwen, maar dit heeft zij niet gedaan. Gelet daarop gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij. De kantonrechter gaat eveneens aan de stelling van [eiser] voorbij dat zij op dit moment al minder dan 24 uur werkt en dit dus in het licht van de veiligheid kennelijk mogelijk is. GVB heeft immers toegelicht dat [eiser] enkel 20 uur werkt, omdat GVB daartoe volgens het UWV is gehouden. De verschillende stellingen van partijen met betrekking tot het veiligheidsaspect en het beleid van GVB brengen met zich dat eveneens nadere bewijslevering nodig is. Daarvoor is echter in dit kort geding geen ruimte.
4.13.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter niet zonder meer kan concluderen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat GVB geen zwaarwegende belangen heeft bij het afwijzen van het verzoek van [eiser] tot vermindering van haar arbeidsduur.
4.14.
Ook na het verzoek van [eiser] van 30 december 2025 heeft geen gesprek tussen GVB en [eiser] plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2, lid 4, Wfw. De kantonrechter is echter voorshands van oordeel dat ook in dit geval het uitblijven van dit gesprek er niet toe leidt dat het verzoek van rechtswege is ingewilligd. Los van de omstandigheid dat de wet dit gevolg niet aan het uitblijven van dit gesprek verbindt, is het oogmerk van dit gesprek om voor beide partijen een bevredigende oplossing te vinden. In dit geval waren de standpunten van partijen echter reeds duidelijk en meermalen herhaald, waardoor voorshands kan worden geconcludeerd dat dit gesprek enkel een formaliteit zou zijn.
Conclusie
4.15.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GVB worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
721,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
598