ECLI:NL:RBAMS:2026:7552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/13/768540 / FA RK 25-3201
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 4 BWArt. 820 lid 2 RvWet preferente schuldeiser kinderalimentatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie bij problematische schulden en bewindvoering

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van een man wiens vermogen onder bewind staat wegens problematische schulden van circa €82.000. De man verzocht de alimentatie te verlagen naar €25 per maand en nihilstelling bij toepassing van de Wsnp. De vrouw voerde verweer en betwistte de betrouwbaarheid van de financiële stukken en het inkomen van de man.

De rechtbank oordeelde dat de man voldoende aannemelijk had gemaakt dat de eerdere alimentatie niet aan de wettelijke maatstaven voldeed vanwege zijn schuldenlast en beperkte draagkracht. De financiële stukken van de man werden als betrouwbaar beoordeeld, ondanks de betwisting door de vrouw. De rechtbank volgde het voorstel van de bewindvoerder en stelde de alimentatie vast op de minimale bijdrage van €25 per maand, ingaande 30 juni 2026.

De rechtbank wees nihilstelling van de alimentatie bij een eventuele Wsnp-aanvraag af, omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft en benadrukte dat ook bij Wsnp de minimale bijdrage overeind moet blijven. Tevens werd bepaald dat reeds betaalde bedragen niet teruggevorderd worden. De vrouw kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €25 per maand met ingang van 30 juni 2026, nihilstelling bij Wsnp wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/768540 / FA RK 25/3201
Beschikking van 30 juni 2026 betreffende verzoek tot wijziging kinderalimentatie
in de zaak van:
[bewindvoerder] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
als rechtsopvolger van Knoll Beheer en Bewind BV, gevestigd te Dirksland,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T.O. Sohansingh te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 29 april 2026 van deze rechtbank, welke inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
1.2.
De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het F9-formulier met bijlage van de man, ingekomen op 21 mei 2026;
  • het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 2 juni 2026.
1.3.
Er heeft geen mondelinge behandeling meer plaatsgevonden.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
[bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de man, verzoekt de rechtbank de beschikking van 7 juni 2023 te vernietigen en te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 25,- per maand, en voor het geval de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing wordt, voor de duur van die maatregel de te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld.
2.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de bij beschikking van 7 juni 2023 vastgestelde kinderalimentatie van € 300,- per maand te handhaven, dan wel:
II. indien de rechtbank nadere informatie wenst, de man te gelasten:
 een actueel en geverifieerd schuldenoverzicht met onderbouwende bewijsstukken die niet ouder zijn dan drie maanden over te leggen;
 volledige afschriften van de door de bewindvoerder beheerde beheerrekening en over de afgelopen 12 maanden, waarop de stortingen van het loon te zien zijn over te leggen;
 objectieve betalingsbewijzen (bankafschriften) van de afgelopen 12 maanden van het gestelde kostgeld aan de ouders over te leggen;
 contract telefoonabonnement/afbetaling toestel over te leggen;
 overleggen van het kentekenbewijs van de auto van de man over te leggen.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

3.De beoordeling

De standpunten
3.1.
De man en zijn bewindvoerder hebben het volgende gesteld. Sinds 25 mei 2020 staat het vermogen van de man onder bewind wegens problematische schulden. Zijn schuldenlast beloopt ongeveer € 82.000.-. De man heeft dan ook geen draagkracht om de vastgestelde kinderalimentatie te betalen. De beschikking van 7 juni 2023 voldoet daarmee niet aan de wettelijke maatstaven.
De man heeft nog geen aanvraag tot de Wsnp gedaan. Voor de minnelijke regeling, die de schuldhulpverlening van gemeente [woonplaats] in samenwerking met de Kredietbank Amsterdam verzorgt, is een nihilstelling van de kinderalimentatie niet vereist. De mogelijkheid bestaat echter wel dat wanneer de schuldeisers het alimentatiebedrag te hoog vinden, zij medewerking weigeren en er Wsnp aangevraagd moet worden. Indien de kinderalimentatie wordt vastgesteld op €25,- per maand, zal dit vermoedelijk niet voor problemen zorgen. Mocht een Wsnp-aanvraag toch nodig zijn, omdat er schuldeisers zijn die medewerking weigeren, dan is een nihilstelling wel verplicht. De man verzoekt de rechtbank daar rekening mee te houden door te beslissen dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld in het geval van een Wsnp-maatregel, voor de duur van die maatregel.
3.2.
De vrouw voert aan dat zij tekortkomingen heeft geconstateerd in de overgelegde schuldenlast en het budgetplan. Ten aanzien van het schuldenoverzicht merkt de vrouw het volgende op. Het schuldenoverzicht dateert uit december 2024 en is daarmee onjuist, onbetrouwbaar en niet actueel. Volgens de vrouw bedraagt het werkelijke saldo op de schuldenlijst € 70.047,38. Daarnaast bevat het schuldenoverzicht aflossingsafspraken die niet terugkomen in het budgetplan, zullen de fiscale schulden niet drukken op de draagkracht van de man en ontbreken er nog diverse schuldenposten. Bovendien bestaat er een reële mogelijkheid dat de man sinds 9 december 2024 maandelijks al
aanzienlijke bedragen heeft afgelost.
Ten aanzien van het budgetplan merkt de vrouw het volgende op. De telefoonkosten zijn niet voldoende duidelijk, de lopende kosten van bewindvoering dienen te worden betaald uit het vrij te laten bedrag en de achterstallige bewindvoeringskosten dienen op de schuldenlijst te staan en niet als lopende kostenpost op het budgetplan. Daarnaast is de gestelde aflossing van € 553,- per maand aan de vrouw onjuist. De lopende beslaglegging via het LBIO verloopt enorm moeizaam, omdat de werkgever van de man (tevens de vader van de man) weigert medewerking te verlenen aan het loonbeslag en hiermee een onrechtmatige daad verricht. Dit heeft geleid tot aanzienlijke betalingsachterstanden en overgeslagen termijnen. Daarnaast betwist de vrouw dat de man maandelijks kostgeld aan zijn ouders betaalt. Ook vermeldt het schuldenoverzicht niet alle lopende aflossingen.
Bovendien betwist de vrouw de juistheid en volledigheid van de overgelegde loonstroken. De vrouw weet dat kleine eigen ondernemers vaker sjoemelen met loonstroken. Vaststaat dat de man werkzaam is binnen het taxibedrijf van zijn vader. Er is sprake van een familiare arbeidsverhouding waardoor het vermoeden dat wordt gesjoemeld met het inkomen reëel is.
Gelet op haar professionele achtergrond in de schuldhulpverlening is de vrouw zich ervan bewust
dat, mits toelating tot de Wsnp onherroepelijk vaststaat, de kinderalimentatie tijdelijk kan worden verlaagd ofwel een nihilstelling wordt toegepast. Thans is er echter nog geen sprake van aanmelding tot de Wsnp en ontbreekt elke transparantie omtrent de totale actuele schuldenpositie van de man, een vrij te laten bedrag-berekening en bewijzen van betalingen van het inkomen en het weekgeld.
Daarom verzoekt de vrouw, mede in het licht van haar kwetsbare financiële situatie en de Wet preferente schuldeiser kinderalimentatie, de beschikking van 7 juni 2023 te handhaven.
Ontvankelijkheid wijzigingsverzoek
3.3.
In artikel 1:401 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de rechtbank bij haar beslissing van 7 juni 2023 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en dat de draagkracht van de man onvoldoende was om de voor [minderjarige] vastgestelde bijdrage te kunnen betalen. Het vermogen van de man stond in die periode al onder bewind en hij heeft geen draagkracht gehad voor de vastgestelde kinderalimentatie. Bovendien is gebleken dat de vrouw bij de man de vastgestelde kinderalimentatie, ondanks inschakeling van het LBIO, niet volledig heeft kunnen incasseren. Nu voldoende is komen vast te staan dat de kinderalimentatie bij eerste aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, zal de rechtbank de hoogte daarvan opnieuw bepalen.
Inhoudelijke beoordeling
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het budgetplan blijkt dat de man een salaris heeft van € 1.911,68 per maand. Hoewel de vrouw dit inkomen heeft betwist, vindt de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de financiële stukken van de man niet betrouwbaar zijn. De man is verplicht om een juiste opgave te doen van zijn inkomen aan zowel zijn bewindvoerder als aan de rechtbank. De vrouw heeft aangevoerd dat het inkomen hoger zou zijn en dat er gesjoemeld kan zijn nu de werkgever van de man zijn eigen vader is, maar het enkele feit dat de vader van de man zijn werkgever is, is daarvoor niet voldoende grond. De vrouw heeft haar bedenkingen ten aanzien van het inkomen van de man verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank uitgaat van de gegevens die de man daarover heeft verstrekt.
Op basis van dat inkomen van de man wordt een draagkracht van maximaal € 77,- berekend. Hierbij is overigens nog geen rekening gehouden met de schulden van de man.
3.6.
Een bewindvoerder bij problematische schulden heeft onder meer tot taak het in beeld brengen van de schulden, het inkomen en eventueel vermogen. Het vaststellen van een budgetplan, het trachten om tot een minnelijk traject te komen dan wel het al of niet aanvragen van een Wsnp, behoort tot de bevoegdheden van een bewindvoerder. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het overzicht dat door de bewindvoerder is verstrekt. Hierbij komt dat de bewindvoerder nog niet zo lang betrokken is en nog in de uitzoekfase verkeert. Uiteraard staat het de vrouw vrij om hier kritisch naar te kijken en opmerkingen over te maken, maar er is naar het oordeel van de rechtbank geen direct in het oog springende onjuistheid die tot de conclusie moet leiden dat de man wel draagkracht heeft. Feit blijft dat er een schuldenlast ligt van in ieder geval meer dan €70.000.
Gelet op de hoogte van de schuld en het inkomen van de man, is het onaannemelijk dat de man dit bedrag binnen een tijdsbestek van twee jaar heeft afgelost of dat de schuld binnen afzienbare tijd zal worden kwijtgescholden.
De rechtbank zal daarom het voorstel van de bewindvoerder volgen en de door de man te betalen kinderalimentatie volgens de alimentatienormen minimale bijdrage van € 25,- per maand bepalen.
3.7.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben. De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van de beschikking. De man had de mogelijkheid om tegen de eerdere beschikking in hoger beroep te gaan, dan wel eerder actie te ondernemen.
De rechtbank zal verder bepalen dat alles wat de man tot op heden heeft betaald, dan wel wat bij hem is geïnd door het LBIO, niet hoeft te worden terugbetaald door de vrouw. De man hoeft aan achterstand ook niet meer te betalen dan wat hij tot op heden heeft voldaan.
3.8.
De rechtbank zal, nu het minnelijke traject nog niet van start is gegaan, nog onbekend is of dit zal mislukken en zal leiden tot een aanvraag voor de Wsnp, geen nihilstelling voor de eventuele Wsnp-periode vastleggen. Dit betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarnaast wil de rechtbank benadrukken dat ook in het geval van de Wsnp de minimale bijdrage overeind zou moeten blijven.
3.9.
De vrouw voert terecht aan dat zodra de minnelijke schuldhulpsanering, dan wel de eventuele wettelijke schuldsanering, is beëindigd en de man weer beschikking heeft over een groter deel van zijn inkomen, hij vanaf dat moment in staat moet worden geacht een hogere kinderbijdrage te betalen. Vooralsnog is echter onduidelijk wanneer dat precies zal zijn en wat de inkomenspositie van de man dan zal zijn. Om die reden kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid een kinderbijdrage vaststellen voor die periode die in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

4.De beslissing

4.1.
wijzigt de beschikking van 7 juni 2023 van de rechtbank Amsterdam waarbij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding werd opgelegd ten behoeve van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
in die zin dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 30 juni 2026 op € 25,- per maand wordt vastgesteld, met dien verstande dat de hoogte van de achterstand zal worden bepaald op hetgeen de man heeft betaald en/of op hem is verhaald.
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.F. Hulskes op 30 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.