Uitspraak
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. F.J.E. Hogewind te Amsterdam,
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene.
Tijdens de eerdere zitting op 1 december 2025 werd de behandeling aangehouden in afwachting van een schriftelijke update. Op 22 januari 2026 ontving de rechtbank een update van de zorgaanbieder Arkin, waaruit bleek dat de zorgmachtiging niet langer noodzakelijk was omdat betrokkene een zelfbindingsverklaring zou opstellen.
De rechtbank vroeg op 28 januari 2026 of deze verklaring al kon worden verstrekt, maar kreeg te horen dat het opstellen nog langer zou duren. De behandelaar gaf aan dat een zorgmachtiging niet meer nodig was. Gezien deze positieve ontwikkelingen oordeelde de rechtbank dat het belang bij het verzoek was komen te vervallen en wees het verzoek af.
De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door rechter H.P.E. Has, bijgestaan door griffier D.L. Overduin. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het vervallen belang door positieve ontwikkelingen en een zelfbindingsverklaring.