ECLI:NL:RBAMS:2026:7398

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/090918-26 (herstelvonnis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c SrArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis met taakstraf en voorwaarden na bewezen geweld, afpersing en vernieling

De rechtbank Amsterdam heeft op 16 juli 2026 een herstelvonnis gewezen in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 2006. In het oorspronkelijke vonnis was per abuis de opgelegde taakstraf van 180 uren niet in het dictum opgenomen, hetgeen in dit herstelvonnis is gecorrigeerd. De verdachte is vrijgesproken van één ten laste gelegd feit, maar schuldig bevonden aan openlijk in vereniging geweld plegen, medeplegen van afpersing en medeplegen van vernieling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 uren met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving. Daarnaast is een gevangenisstraf van 100 dagen opgelegd waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tijdens de proeftijd gelden diverse voorwaarden, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op psychische en verslavingsproblematiek, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met medeverdachten, dagbesteding, aflossing van schulden en controles op middelengebruik.

Verder zijn aan drie benadeelde partijen schadevergoedingen toegekend voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling. Het herstelvonnis heft tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. De rechtbank heeft het vonnis uitgesproken in aanwezigheid van drie rechters en een griffier.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 180 uren, gedeeltelijke gevangenisstraf met proeftijd en diverse voorwaarden, en betaling van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

herstelvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090918-26
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Herstelvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .
De rechtbank is na het wijzen van het vonnis in de zaak met bovengenoemd parketnummer gebleken dat de opgelegde taakstraf van 180 uren per abuis niet in het dictum is opgenomen. Gelet op het feit dat de oplegging van deze straf wel in de strafmotivering is genoemd en het feit dat het op 16 juli 2026 door de rechtbank is uitgesproken, betreft dit een kennelijke misslag.
Het dictum van dit vonnis komt dan ook als volgt te luiden:
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van afpersing;
Ten aanzien van feit 4:
medeplegen van vernieling.
Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
100 (honderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
90 (negentig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in [naam instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- Contactverbod
Dat veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 1] , [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 2] , en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] ;
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn/haar schulden en het treffen van
afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
- Beheersing middelengebruik
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Gelast de teruggave aan [naam] van:
- een telefoon Apple (voorwerpnummer: BZBB3887);
- een telefoon Apple (voorwerpnummer: BZBB3886).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 422,30 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 1.422,30 (zegge: veertienhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 619,27 (zegge: zeshonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 2.619,27 (zegge: zesentwintighonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover op 25 maart 2026 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit herstelvonnis is op 16 juli 2026 gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier.
De oudste en jongste rechters zijn buiten staat dit herstelvonnis mede te ondertekenen.