ECLI:NL:RBAMS:2026:7388

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/137231-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontuchtige handelingen met vijftienjarig meisje

Op 9 februari 2024 heeft verdachte seks gehad met een vijftienjarig meisje, wat strafbaar is volgens artikel 245 Sr Pro (oud). De rechtbank acht bewezen dat verdachte haar vagina is binnengedrongen met zijn vingers en penis. Verdachte en slachtoffer verschilden bijna vier jaar in leeftijd en er was geen affectieve relatie. De rechtbank kon niet vaststellen of het contact vrijwillig was, maar oordeelde dat de handelingen ontuchtig waren.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De rechtbank matigde de straf ten opzichte van de eis van het Openbaar Ministerie vanwege de jonge leeftijd van verdachte en het ontbreken van dwang.

Het slachtoffer vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kende €100 aan materiële schade toe wegens niet teruggegeven kleding en €7.500 aan immateriële schade op basis van de Rotterdamse schaal, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 juli 2026. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om betaling af te dwingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van €7.600 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/137231-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] en van wat haar advocaat, mr. M.C.G. van Riet, daarover naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 09 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit, of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers is/heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] vastgepakt en/of (vervolgens) zijn, verdachtes vinger(s) en/of penis, in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring op grond van de aangifte, de resultaten van het DNA-onderzoek en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het door aangeefster aan verdachte toegeschreven TikTok-account van hem is. Hieruit volgt dat verdachte de persoon is die aangeefster heeft aangewezen als de man die tegen haar wil seks met haar heeft gehad. Uit het forensisch medisch onderzoek en het DNA-onderzoek blijkt dat verdachte met zijn penis in haar vagina is binnengedrongen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij seks met aangeefster heeft gehad. Verder staat vast dat aangeefster 15 jaar oud was ten tijde van het feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hoewel het klopt dat verdachte en aangeefster die bewuste dag seks hebben gehad en aangeefster 15 jaar oud was, kan niet worden gesproken van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hier kan pas sprake van zijn als de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische normen, wat hier niet het geval is, omdat het om vrijwillige seks tussen twee tieners gaat.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 februari 2024 is er een afspraak geweest tussen verdachte en aangeefster bij een flat in Amsterdam. Zij hebben de afspraak met elkaar gemaakt via Snapchat. In het trappenhuis van de flat heeft verdachte zijn penis in de vagina van aangeefster gebracht. Dat hebben ze beiden verklaard en dat wordt ook bevestigd door de resultaten van het DNA-onderzoek. Gelet op de verklaring van aangeefster, stelt de rechtbank verder vast dat verdachte ook zijn vingers in haar vagina heeft gedaan. Aangeefster was op dat moment 15 jaar en drie maanden oud. Verdachte was 19 jaar en twee maanden oud. De volgende dag heeft aangeefster de politie gebeld en gezegd dat zij was verkracht.
Ontuchtige handelingen
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de hierboven beschreven seksuele handelingen zijn aan te merken als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 Sr Pro (oud).
Ontuchtige handelingen zijn volgens de wetsgeschiedenis handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank benadrukt dat seksueel contact tussen een volwassene en iemand tussen de twaalf en zestien jaar oud in beginsel moet worden aangemerkt als in strijd met de sociaal-ethische norm en dus ontuchtig. Er bestaat geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden bepaald in welke gevallen hiervan een uitzondering kan worden gemaakt. Of sprake is van ontucht, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarom beoordeelt de rechtbank alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang.
Zo kan de ontuchtigheid aan het handelen ontbreken als er sprake is van een combinatie van de volgende omstandigheden:
  • vrijwillig seksueel contact tussen personen;
  • die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel;
  • een affectieve relatie hebben (vgl. HR 24 juni 1997, NJ 1997/676).
De rechtbank kan niet vaststellen onder welke omstandigheden het seksuele contact heeft plaatsgevonden en dus of dat contact vrijwillig was. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft gedwongen de penetratie te ondergaan. Verdachte heeft verklaard dat de seks vrijwillig was. Het dossier bevat geen steunbewijs dat één van deze verklaringen ondersteunt. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat er sprake was van dwang, maar ook niet dat er sprake was van vrijwilligheid.
Uit de verklaringen van zowel aangeefster als verdachte blijkt dat er geen sprake was van een affectieve relatie tussen hen. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 9 februari 2024 voor het eerst met elkaar afspraken. Verdachte heeft verklaard dat zij al twee keer eerder seks met elkaar hadden gehad. De rechtbank kan niet vaststellen welke van deze twee scenario’s klopt, maar vaststaat in ieder geval dat er geen affectieve relatie was en dat het die bewuste dag ging om vluchtig contact.
Het leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte is op een maand na vier jaar. Hoewel verdachte met zijn 19 jaar nog een tiener was, is bijna vier jaar leeftijdsverschil niet zonder meer als gering aan te merken. Het ging om vluchtig contact en van een gelijkwaardige omgang tussen leeftijdgenoten is niet gebleken. Gelet op deze context is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van een gering leeftijdsverschil op het moment dat de seks plaatsvond.
Bij deze stand van zaken zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat het seksuele contact tussen aangeefster en verdachte
nietin strijd zou zijn met de sociaal-ethische norm. Dit betekent dat de seksuele handelingen kunnen worden gekwalificeerd als ontuchtige handelingen. Het verweer van de raadsman slaagt dus niet.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte ontucht heeft gepleegd met aangeefster die toen 15 jaar oud was, door haar vagina binnen te dringen met zijn vingers en zijn penis.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage Iopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 09 februari 2024 te Amsterdam, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte zijn vingers en penis, in de vagina van die [slachtoffer] gebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij moeten ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat een contactverbod met aangeefster wordt opgelegd op grond van artikel 38v Sr, voor de duur van vijf jaren en met een maand hechtenis per overtreding. Deze vrijheidsbeperkende maatregel moet ook dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
7.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, in geval van bewezenverklaring, rekening te houden met de zeer jonge leeftijd van verdachte, artikel 63 Sr Pro en het feit dat het om een oud feit gaat. Omdat er al ruim twee jaar geen contact meer is geweest tussen verdachte en aangeefster, bestaat er geen reden een contactverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft seks gehad met een vijftienjarig meisje en dat is een strafbaar feit. Jongeren onder de zestien jaar worden door de wet beschermd, omdat zij de gevolgen van seksuele handelingen nog niet volledig kunnen overzien. Verdachte heeft gesteld dat aangeefster hem had verteld dat zij 19 jaar oud was. Dat zou hij haar één keer hebben gevraagd op Snapchat en daarna niet meer. Hij had aangeefsters leeftijd moeten checken voordat hij seks met haar had.
Daarnaast betrekt de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd in haar oordeel. Verdachte is jong en het feit is inmiddels twee jaar geleden gebeurd. Omdat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat sprake was van dwang of geweld, zal zij dat – anders dan de officier van justitie in zijn vordering wel heeft gedaan – niet betrekken in de strafmaat. Wel neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee dat verdachte geen condoom heeft gebruikt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedendelict. Wel is verdachte eerder veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 6 maart 2026. Dit advies houdt – kort en zakelijk samengevat – het volgende in. Het is verdachte tot dusver, ondanks een steunend familiaal netwerk en een gemiddelde intelligentie, onvoldoende gelukt in zijn leven stabiele en beschermende factoren te creëren en deze ook te behouden. Er is sprake van schuldenproblematiek, problematisch middelengebruik en in samenhang daarmee een negatief sociaal netwerk. Daarnaast lijkt sprake te zijn van problemen met autoriteit en algehele onrijpheid. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor seksuele preoccupatie of seks als coping. Hoewel verdachte zegt maatschappelijk aanvaarde doelen te willen nastreven, vormt dit geen bescherming tegen de rol van zijn sociaal netwerk in zijn leven. Er is weinig zicht verkregen op het psychosociaal functioneren van verdachte. De responsiviteit ten aanzien van begeleiding en hulpverlening is tot dusver onvoldoende gebleken ter beperking van de risico’s of het doen toenemen van beschermende factoren. Dit neemt niet weg dat de reclassering begeleiding en hulpverlening in een justitieel kader noodzakelijk acht. De reclassering schat de risico’s op recidive (in het algemeen en ten aanzien van zedendelicten in het bijzonder) en onttrekking aan voorwaarden in als gemiddeld tot hoog. Hoewel er sterk wordt getwijfeld aan de haalbaarheid hiervan, adviseert de reclassering tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, contactverbod, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik.
Strafoplegging
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij worden ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opgelegd. Omdat daaronder ook een contactverbod met aangeefster valt en niet is gebleken van (pogingen tot) contact van verdachte met aangeefster, zal de rechtbank dit niet in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 263,20 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om [slachtoffer] , voor zover de vordering ziet op de materiële schade, niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering niet met bonnen is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman bepleit dat dit feit – indien bewezen – valt in categorie 15.2 onder c (ontucht met binnendringen, tamelijk ernstig, bandbreedte € 1.500 tot € 6.000) van de Rotterdamse schaal. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht om de gevorderde schadevergoeding fors te matigen. Ten slotte heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de wettelijke rente in te laten gaan vanaf de datum van het vaststellen van de schade en niet vanaf de datum van het feit.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit het dossier blijkt namelijk dat de beha, onderbroek en legging van aangeefster in beslag zijn genomen en niet is gebleken dat deze kleding aan haar terug is gegeven.
De hoogte van de schade van deze post is echter niet met bonnen onderbouwd. De rechtbank schat deze schadepost daarom ambtshalve op een bedrag van € 100,- en zal dit bedrag toewijzen.
Voor het overige wordt [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Vast staat dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft [slachtoffer] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, omdat er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat de schade valt in categorie 15.2 onder b (ontucht met binnendringen, ernstig, bandbreedte € 6.000 tot € 12.500). Het gaat om eenmalige ontucht met binnendringen, waarbij sprake is van een combinatie van vergaande seksuele handelingen (te weten penetratie met zowel de penis als de vingers). Daarbij komt dat de seksuele handelingen plaatsvonden in een trappenhuis en zonder gebruik van een condoom. Het door [slachtoffer] gevorderde bedrag van € 10.000,- is mede gebaseerd op het feit dat sprake zou zijn geweest van dwang of geweld, maar dat is niet ten laste gelegd en heeft de rechtbank ook niet kunnen vaststellen. Rekening houdend met deze feiten en omstandigheden begroot de rechtbank de vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid op € 7.500,-.
Voor het overige wordt [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.
Wettelijke rente
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval passender is om de wettelijke rente te laten ingaan vanaf de vaststelling van de schade op 2 juli 2026. De vergoeding van zowel de materiële als de immateriële schade zal dan ook worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026 tot aan de dag van algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering op het adres [adres] Amsterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
-
Ambulante behandeling
Veroordeelde werkt indien nodig mee aan (verdiepings-)diagnostiek en volgt het behandeladvies op. Hij laat zich dan behandelen door de Waag te Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling kan worden gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag, agressiebeheersing, middelenafhankelijkheid en/ of de cognitieve en sociale vaardigheden;
-
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Indien de reclassering dit noodzakelijk vindt, verblijft veroordeelde in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-
Contactverbod
Veroordeelde heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2008;
-
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
-
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
-
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt mee aan middelencontroles om zicht te krijgen op het gebruik van cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]toe tot een bedrag van € 100,- (honderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- (vijfenzeventighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.600,- (zesenzeventighonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mr. C. Wildeman en mr. M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede en mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.
[....]