ECLI:NL:RBAMS:2026:7187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
11860798 \ CV EXPL 25-11999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:119 BWBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming wegens langdurige huurachterstand

PEC Persimmon S.A.R.L. vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] wegens een aanzienlijke huurachterstand. Na een tussenvonnis waarin de hoogte van de achterstand nog niet was vastgesteld, heeft PEC een concreet overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de kale huurachterstand € 21.997,20 bedraagt. [gedaagde] betwist de bedragen niet gemotiveerd en erkent de achterstand deels.

[gedaagde] stelt dat de huurachterstand verrekend moet worden met een nog niet uitgekeerde schikking over servicekosten tot 2023, maar heeft het benodigde aanmeldformulier niet ondertekend en geretourneerd, waardoor verrekening niet mogelijk is. De kantonrechter oordeelt dat de achterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, mede omdat [gedaagde] al ruim twee jaar geen huur heeft betaald en voldoende tijd had om alternatieve woonruimte te zoeken.

De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening. Tevens moet hij vanaf 1 april 2026 een gebruiksvergoeding van € 822,95 per maand betalen totdat de woning is ontruimd. Daarnaast wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11860798 \ CV EXPL 25-11999
Vonnis van 9 juli 2026
in de zaak van
PEC PERSIMMON S.A.R.L.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
eisende partij,
hierna te noemen: PEC,
gemachtigde: J.S. Evers,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van PEC, met producties;
- de e-mail van 5 mei 2026 van [gedaagde] waarin hij verzoekt om uitstel teneinde op de akte van PEC te kunnen reageren, welk uitstel daarna aan hem is verleend;
- de e-mail van 11 juni 2026 van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 12 maart 2026 is geoordeeld dat de hoogte van de ontstane huurachterstand niet kon worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment overgelegde stukken. PEC is in de gelegenheid gesteld om de hoogte van de huurachterstand nader te onderbouwen. Naar aanleiding van de daarna door PEC overgelegde stukken en de reactie daarop van [gedaagde] wordt als volgt overwogen.
De hoogte van de huurachterstand
2.2.
In de dagvaarding heeft PEC nadrukkelijk vermeld dat zij haar vordering beperkt tot achterstallige kale huur. Dat betekent dat zij in deze procedure dus geen betaling vordert van de servicekosten en nutslasten die zij in aanvulling op de kale huur aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Ter zitting en bij akte heeft PEC niet in afwijkende zin verklaard, zodat de kantonrechter vaststelt dat de vordering van PEC uitsluitend ziet op de betaling van kale huur.
2.3.
Bij akte heeft PEC (als productie 8) een nieuw overzicht in het geding gebracht waarin is weergegeven in welke maanden [gedaagde] geen huur heeft betaald. De daarin opgenomen huurprijzen heeft PEC uitgesplitst naar kale huur, servicekosten en nutslasten. Daarnaast heeft zij, zoals bij tussenvonnis door de kantonrechter is verzocht, een toelichting gegeven op de hoogte van de hogere huur in de maand juli 2024 en heeft zij tevens een overzicht in het geding gebracht van de huurontwikkeling die zich sinds aanvang van de huurovereenkomst heeft voorgedaan. In tegenstelling tot haar eerdere stukken heeft zij nu voldoende concreet en eenduidig weergegeven wat de hoogte van de (kale) huurachterstand van [gedaagde] is. [gedaagde] heeft de juistheid van de aan hem in rekening gebrachte bedragen aan kale huur niet gemotiveerd betwist. De enkele opmerking dat PEC haar administratie nog steeds niet op orde heeft, is daartoe onvoldoende. Ook heeft hij niet betwist dat hij de huur over de periode van 1 september 2023 tot 1 maart 2024 en vanaf 1 juni 2024 tot 1 april 2026, zoals volgt uit het overzicht van PEC, onbetaald heeft gelaten. Daarom gaat de kantonrechter bij de vaststelling van de hoogte van huurachterstand uit van het overzicht dat door PEC als productie 8 overgelegd. Uit dat overzicht blijkt dat de (kale) huurachterstand over de hiervoor genoemde maanden in totaal € 21.997,20 bedraagt.
Schikking ten aanzien van de servicekosten tot en met 2023
2.4.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn huurachterstand moet worden verrekend met het bedrag dat hij van PEC zal ontvangen in het kader van een schikking met betrekking tot de servicekosten over de periode tot en met 2023, maar dat PEC ten onrechte nog niet aan hem heeft uitbetaald.
2.5.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] , tegelijkertijd met andere huurders, op 31 juli 2024 per e-mail door To Be At (hierna: de beheerder) namens PEC is geïnformeerd over de mogelijkheid om een schikking te treffen voor de servicekosten in de genoemde periode. In deze e-mail is uitgelegd hoe een dergelijke schikking tot stand kan komen. Daarvoor dient een huurder aan de beheerder mee te delen dat hij voor een dergelijke schikking in aanmerking wenst te komen, waarna de beheerder de hoogte van het schikkingsbedrag zal berekenen. Dat bedrag zal worden opgenomen in een aanmeldformulier dat daarna aan de huurder wordt toegestuurd. Dat aanmeldformulier moet door de huurder ondertekend worden geretourneerd aan de beheerder. Daarna zal de beheerder overgaan tot uitbetaling van het schikkingsbedrag.
2.6.
[gedaagde] heeft op 28 augustus 2024 per e-mail aan de beheerder laten weten dat hij in aanmerking wenst te komen voor een schikking. Vervolgens heeft de beheerder op 10 april 2025 een aanmeldformulier voor de schikkingsafhandeling aan [gedaagde] toegezonden. Het schikkingsvoorstel bedroeg € 2.387,42. Dit formulier heeft [gedaagde] niet aan de beheerder geretourneerd. [gedaagde] stelt weliswaar dat van hem niet kan worden gevergd om ‘voor de zoveelste keer een formulier te ondertekenen’, maar dat hij het aanmeldformulier voor de schikking tot en met 2023 ook al eerder zou hebben opgestuurd (of dat hij in zijn algemeenheid een grote hoeveelheid verzoeken zou hebben ontvangen die hij telkens retour diende te sturen, zoals hij lijkt te stellen) blijkt nergens uit. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen om het aanmeldformulier voorzien van een handtekening retour te sturen als hij van de schikkingsmogelijkheid gebruik had willen maken. Omdat hij dat tot op heden niet heeft gedaan, is er voor de servicekosten tot en met 2023 nog geen schikking tot stand gekomen. Voor verrekening bestaat dus geen grondslag. Dat betekent dat [gedaagde] nog € 21.997,20 aan (kale) huur moet betalen voor de huurperiode tot 1 april 2026.
Ontbinding en ontruiming; gebruiksvergoeding
2.7.
Op grond van artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
2.8.
De (kale) huurachterstand bedraagt tot 1 april 2026 in totaal € 21.997,20. Ook na het uitbrengen van de dagvaarding en de mondelinge behandeling is [gedaagde] niet overgegaan tot het betalen van de (achterstallige of lopende) huur. [gedaagde] heeft daarmee inmiddels achtentwintig maanden – dus ruim twee jaar – geen huur betaald. De huurachterstand is dan ook ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagde] heeft verzocht om de huurovereenkomst desondanks in stand te laten, omdat een ontbinding van de huurovereenkomst voor hem zal leiden tot dakloosheid aangezien hij niet bij familie terecht kan. Dit is echter een omstandigheid die, ook gelet op de hoogte van de huurachterstand, voor zijn eigen rekening en risico moet blijven. Van PEC als verhuurder kan niet worden gevergd dat zij een huurwoning moet verstrekken aan een huurder die al ruim twee jaar geen huur heeft betaald. Bovendien is voor [gedaagde] in ieder geval sinds eind 2023 al voorzienbaar dat zijn huurachterstand op enig moment zou kunnen leiden tot de beëindiging van de huurovereenkomst, aangezien de huurachterstand al in september 2023 is ontstaan. Hij heeft dan ook al meerdere jaren de tijd gehad om op zoek te gaan naar vervangende woonruimte.
2.9.
Om de ontbinding en ontruiming toe te wijzen stelt artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening daarnaast de eis dat een verhuurder in geval van huurachterstanden, kort gezegd, de huurder op de hoogte stelt van de achterstand en vraagt of zijn/haar gegevens mogen worden gedeeld met de gemeente en daar vervolgens – wanneer daartegen geen bezwaar wordt gemaakt – melding maakt van de bestaande huurachterstanden (‘vroegsignalering’). PEC heeft de huurachterstand van [gedaagde] op 14 april 2025 gemeld bij de gemeente Amsterdam, maar pas daarna in haar brief van 28 mei 2025 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij dit zou gaan doen. Dat had dus in een andere volgorde gemoeten. [gedaagde] heeft in reactie op die brief aangegeven dat hij daarover telefonisch met PEC in contact wilde komen, maar hij heeft niet kenbaar gemaakt dat hij bezwaar had tegen het delen van zijn gegevens met de gemeente. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij juist met het buurtteam van de gemeente in contact wilde komen, maar dat dit contact volgens hem juist onvoldoende van de grond is gekomen. Gelet daarop is [gedaagde] door de onjuiste volgorde van aankondiging en melding niet in zijn belangen geschaad.
2.10.
Dit alles leidt ertoe dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat [gedaagde] het gehuurde moet ontruimen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis, omdat geen redenen zijn aangevoerd die moeten leiden tot de toepassing van een langere ontruimingstermijn.
2.11.
PEC wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag voor de tijd dat hij nog in de woning verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] vanaf 1 april 2026 maandelijks € 822,95 aan PEC moet betalen. Dit is de (kale) huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de periode dat hij nog in het gehuurde verblijft.
Proceskosten
2.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PEC worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2,0 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.615,14
2.13.
Ten aanzien van het salaris gemachtigde wordt opgemerkt dat uitsluitend punten zijn toegekend voor de dagvaarding en de mondelinge behandeling en niet voor de twee aktes die PEC heeft ingediend. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de aktes noodzakelijk waren omdat in de dagvaarding de nodige informatie ontbrak dan wel onduidelijk was weergegeven. Wat betreft de hoogte van het salaris van de gemachtigde is aangesloten bij het tarief dat geldt voor vorderingen onder € 20.000,00, ondanks dat een hoger bedrag aan huurachterstand is toegewezen. Dat de vorderingen zijn opgelopen tot boven de € 20.000,00 is immers mede te wijten aan het feit dat PEC tot twee keer toe aanvullende stukken heeft moeten indienen ter verduidelijking van haar vordering, als gevolg waarvan de procedure langer heeft geduurd, de huurachterstand dus verder is opgelopen en zij daarmee zelf de hand heeft gehad in het feit dat de huurachterstand de grens van € 20.000,00 is gepasseerd.
2.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres];
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van PEC zijn, en de sleutels af te geven aan PEC,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan PEC € 21.997,20 te betalen aan openstaande (kale) huur tot 1 april 2026;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan PEC € 822,95 per maand te betalen vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.615,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.