ECLI:NL:RBAMS:2026:7186

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
12046136 \ KK EXPL 26-10 en 120815589 \ EA VERZ 26-102
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating werknemer tot functie na functiewijziging en afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst

Werknemer is sinds 2020 vestigingsdirecteur bij een installatiebedrijf en vervulde tot 2026 een duo functie. Na interne reorganisatie werd de functie verzwaard en werd werknemer een andere functie aangeboden, bedrijfsleider technisch beheer, met een lagere bonusregeling maar gelijkblijvend salaris. Werknemer weigerde aanvankelijk de demotie, sprak zonder toestemming medewerkers toe over zijn besluit en werd daarop per direct vrijgesteld van werk.

Werknemer vordert in kort geding toelating tot zijn werkzaamheden, terwijl werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter oordeelt dat het handelen van werknemer niet ernstig verwijtbaar is en dat herplaatsing binnen redelijke termijn mogelijk is. De communicatie van werknemer was emotioneel maar niet onprofessioneel en hij heeft het personeel positief geïnformeerd.

De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af en veroordeelt werkgever om werknemer binnen 24 uur toe te laten tot de functie van bedrijfsleider technisch beheer onder de bestaande arbeidsvoorwaarden, met een dwangsom bij niet-naleving. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Werknemer wordt toegelaten tot de functie van bedrijfsleider technisch beheer; ontbindingsverzoek werkgever wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummers: 12046136 \ KK EXPL 26-10 en 120815589 \ EA VERZ 26-102
Uitspraak van 1 juli 2026
in de zaken van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de dagvaardingsprocedure, verwerende partij in de verzoekschriftprocedure,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N.C. Six-Scheffer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de dagvaardingsprocedure, verzoekende partij in de verzoekschriftprocedure,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.N. Huyzer.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding in kort geding van 13 januari 2026 met producties heeft [eiser] een voorziening gevorderd. Deze procedure is geregistreerd onder zaaknummer 12046136 \ KK EXPL 26-10 (hierna: zaak I).
1.2.
[gedaagde] heeft op 22 januari 2026 een verzoek met producties ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 120815589 \ EA VERZ 26-102 (hierna: zaak II). [eiser] heeft een verweerschrift met producties ingediend.
1.3.
Op 3 juni 2026 heeft in beide procedures een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen nog nadere producties ingediend. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is vertegenwoordigd door [naam 1] (managing director, hierna: [naam 1] ) en
[naam 2] (HR, hierna: [naam 2] ), vergezeld door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden en [eiser] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.4.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde] is een installatiebedrijf met meerdere vestigingen in Nederland.
2.2.
[eiser] , geboren [geboortedatum] 1964, is sinds 1 januari 2020 in dienst bij [gedaagde] . De functie van [eiser] is vestigingsdirecteur van de vestiging van [gedaagde] te [plaats] met een loon van € 9.816,00 bruto per maand.
2.3.
Deze functie werd tot 1 januari 2026 vervuld als zogenaamde ‘duo functie’. Naast [eiser] was [naam 3] (hierna: [naam 3] ) tevens vestigingsdirecteur van de vestiging te [plaats] . Daarbij was [eiser] verantwoordelijk voor de afdeling Technisch Beheer en [naam 3] voor de afdelingen Bedrijfsbureau, Projecten en Cure. Per 1 januari 2026 is de duo functie van vestigingsdirecteur komen te vervallen en is gekozen voor een nieuwe, materieel verzwaarde functie van vestigingsdirecteur.
2.4.
Na een interne reorganisatie is [naam 3] per 1 januari 2025 gepromoveerd naar de functie van regiodirecteur. [naam 3] is daarnaast de functie van vestigingsdirecteur van de vestiging te [plaats] blijven vervullen en is in die rol verantwoordelijk gebleven voor de afdelingen Bedrijfsbureau, Projecten en Cure.
2.5.
[eiser] is in januari en februari 2025 volledig afwezig geweest vanwege arbeidsongeschiktheid. Vanaf april 2025 heeft [eiser] zijn werkzaamheden volledig hervat.
2.6.
Op 24 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam 1] . In dit gesprek is [eiser] een andere functie aangeboden, namelijk de functie van bedrijfsleider technisch beheer onder de nieuwe vestigingsdirecteur van de vestiging van [gedaagde] te [plaats] .
2.7.
In een e-mail van 30 oktober 2025 schrijft [eiser] aan [naam 1] dat hij niet akkoord gaat met de demotie, geen afstand doet van zijn functie en gewoon blijft werken. Om die reden kan geen communicatie over wijziging van zijn positie plaatsvinden.
2.8.
Eveneens op 30 oktober 2025 is door [naam 4] via Teams aan zijn collega’s bij Dubotechniek gecommuniceerd dat hij een aanbieding heeft gekregen om algemeen directeur van de vestiging van [gedaagde] te [plaats] te worden en dat hij Dubotechniek per 30 november 2025 gaat verlaten.
2.9.
In een e-mail van 6 november 2025 schrijft [naam 1] aan [eiser] dat de keuze is gemaakt om de functie van [eiser] per 1 januari 2026 om te zetten van vestigingsdirecteur naar bedrijfsleider. In deze functie rapporteert [eiser] aan de nieuwe vestigingsdirecteur van de vestiging [plaats] . Er vinden geen wijzigingen plaats in het bruto maandsalaris en ook de overige arbeidsvoorwaarden blijven ongewijzigd. De enige wijziging die wordt doorgevoerd betreft de bonusregeling. In plaats van een maximaal te behalen bonus van bruto 2,5 maanden zal er sprake zijn van een maximaal te behalen bonus van bruto 1,5 maanden.
2.10.
In een e-mail van 14 november 2025 schrijft [eiser] aan [naam 1] in reactie op de voorgenomen functiewijziging dat alleen de functienaam en een deel van de beloning zijn gewijzigd. Een demotie is niet gerechtvaardigd, omdat [eiser] goed functioneerde. [eiser] gaat dan ook niet akkoord met de functiewijziging.
2.11.
Op 17 november 2025 heeft opnieuw een gesprek over de voorgestelde functiewijziging plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en [naam 2] .
2.12.
Na dit gesprek heeft [eiser] in de ochtend van 18 november 2025 telefonisch aan [naam 1] meegedeeld dat hij heeft besloten om de functie van bedrijfsleider technisch beheer toch te accepteren. Daarbij is afgesproken om weer samen te gaan zitten, de zaken te bespreken en de puntjes op de ‘i’ te zetten. Vervolgens is [eiser] naar [plaats] gereisd en heeft hij alle medewerkers bij elkaar laten roepen en toegesproken over zijn besluit.
2.13.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft [naam 1] aan [eiser] bericht dat besloten is om [eiser] per direct vrij te stellen van werk in afwachting van een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] . [naam 1] schrijft dat [eiser] zonder overleg of toestemming de medewerkers heeft toegesproken en daarbij heeft meegedeeld dat hij de demotie zou accepteren, ook al is hij het er zelf niet mee eens. Hierdoor is [naam 1] de kans ontnomen om de communicatie over de functiewijziging gezamenlijk af te stemmen. Ook [naam 3] als leidinggevende van [eiser] heeft het [eiser] afgeraden om de groep toe te spreken. Met zijn boodschap heeft [eiser] de directie en de organisatie in diskrediet gebracht. Hierdoor heeft [gedaagde] geen vertrouwen meer in een verdere samenwerking met [eiser] .
2.14.
Bij brief van 20 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] geprotesteerd tegen de op non-actiefstelling en [gedaagde] gesommeerd om [eiser] weer toe te laten tot de werkzaamheden.

3.Het verzoek

3.1.
In zaak I vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] om [eiser] binnen 24 na betekening van deze uitspraak zonder beperkingen, primair toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden als vestigingsdirecteur te [plaats] , dan wel, subsidiair, als bedrijfsleider technisch beheer te [plaats] , onder de huidige arbeidsvoorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert daartegen verweer.
3.3.
In zaak II verzoekt [gedaagde] de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
[eiser] voert daartegen verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] door [gedaagde] moet worden toegelaten tot de overeengekomen werkzaamheden als vestigingsdirecteur dan wel als bedrijfsleider technisch beheer te [plaats] of dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.3.
[gedaagde] heeft aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd dat sprake is van (primair) verwijtbaar handelen door [eiser] (de e-grond), (subsidiair) een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel (meer subsidiair) een combinatie van deze omstandigheden (de i-grond).
4.4.
Ter onderbouwing daarvan stelt [gedaagde] dat [eiser] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door in strijd met de met [gedaagde] gemaakte afspraken zelf de medewerkers van de vestiging te [plaats] toe te spreken over zijn nieuwe functie en zich op een zeer negatieve en voor alle partijen beschadigende wijze uit te laten. Partijen hadden immers met elkaar afgesproken dat er nog een vervolggesprek zou plaatsvinden en dat zij samen zouden afstemmen wanneer, op welke wijze en in welke bewoordingen dit zou worden gecommuniceerd. [naam 3] heeft het [eiser] expliciet verboden om zelf op dat moment te communiceren, maar [eiser] heeft dit toch gedaan. Hiermee heeft [eiser] in strijd gehandeld met een duidelijke werkinstructie van de regiodirecteur. Verder was de wijze waarop [eiser] het nieuws heeft gecommuniceerd emotioneel en onprofessioneel en heeft hij woorden gebruikt waarmee hij [gedaagde] zeer negatief heeft afgeschilderd als een slechte en onbetrouwbare werkgever. Als gevolg van zijn handelen heeft [eiser] zijn geloofwaardigheid en het vertrouwen van [gedaagde] verloren. Onder deze omstandigheden kan van [gedaagde] niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gelet op de feiten en omstandigheden ligt herplaatsing niet in de rede, aldus [gedaagde] .
4.5.
[eiser] betwist dat zijn handelen zou kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen. [eiser] heeft het in zijn hoedanigheid van vestigingsdirecteur van belang geacht om de medewerkers te infomeren over zijn beslissing op 18 november 2025 over de rolwisseling. Hij heeft dit op positieve wijze gedaan en [gedaagde] niet afgeschilderd als een slechte en onbetrouwbare werkgever. [gedaagde] heeft het aan haarzelf te danken dat bij het personeel onrust en onduidelijkheid is ontstaan door niet transparant te communiceren over de komst van [naam 4] .
4.6.
Het handelen van [eiser] kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als een verwijtbaar handelen zodanig dat van [gedaagde] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daartoe is redengevend dat [gedaagde] niet heeft weersproken dat [eiser] vanaf april 2025 alle operationele taken van [naam 3] heeft overgenomen, zoals MT-vergaderingen en maandelijkse financiële rapportagegesprekken. Op enig moment heeft [gedaagde] gekozen voor een andere kandidaat voor de nieuwe functie van vestigingsdirecteur en is [eiser] niet in de gelegenheid gesteld om te solliciteren voor die functie. Op 24 oktober 2025 is [eiser] de functie van bedrijfsleider technisch beheer aangeboden, maar het is begrijpelijk dat [eiser] daar in eerste instantie moeite mee had. Uiteindelijk is [eiser] akkoord gegaan met deze functie en heeft hij meegedeeld dat hij heeft besloten om die per 1 januari 2026 te accepteren. In zijn functie als vestigingsdirecteur heeft [eiser] vanuit zijn emotie en zijn persoon, ook al was dat niet passend, aanleiding gezien om het personeel van de vestiging daarover direct toe te spreken. [eiser] achtte het in belang van zowel [gedaagde] als zijn eigen (toekomstige) positie om het personeel, dat al een aantal maanden in onrust en onduidelijkheid verkeerde, te informeren. [eiser] betwist dat hij [gedaagde] daarbij heeft afgeschilderd als een slechte en onbetrouwbare werkgever en stelt dat hij op positieve wijze heeft verteld dat de rolwisseling een mooie kans is om het bedrijf in de toekomst te versterken. [eiser] heeft anonieme verklaringen overgelegd van drie werknemers uit het team van de vestiging te [plaats] . Uit deze verklaringen komt naar voren dat [eiser] de onrust wilde wegnemen en dat medewerkers blij waren dat er eindelijk duidelijkheid was. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat er door de toespraak van [eiser] onrust is ontstaan onder het personeel. Daarbij komt dat op 30 oktober 2025 [naam 4] , weliswaar in het onderdeel waar hij werkzaam was maar wel publiekelijk, al bekend had gemaakt dat hij vestigingsdirecteur zou worden.
4.7.
[eiser] had het als directeur anders moeten doen, maar dat rechtvaardigt niet dat [gedaagde] het vertrouwen in [eiser] volledig kwijt is geraakt. [gedaagde] had het als werkgever ook anders moeten doen. Op deze grond kan daarom niet de conclusie worden getrokken dat de verhoudingen onherstelbaar zijn verstoord. Ook kan niet worden vastgesteld dat de positie van [eiser] in de vestiging te [plaats] onhoudbaar is geworden. Er is misschien wel sprake van een vorm van een vertrouwensbreuk tussen [eiser] en [naam 1] , maar niet is gebleken dat die onherstelbaar is. Van beide heren mag bovendien, gelet op hun functieniveau, worden verwacht dat zij daarmee om kunnen gaan.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [gedaagde] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden dan ook geen redelijke grond voor ontbinding op en ligt herplaatsing van [eiser] binnen een redelijke termijn in de rede. Daarbij is van belang dat aan [eiser] een andere functie in de organisatie van [gedaagde] is aangeboden. [eiser] heeft weliswaar betwist dat zijn functie van vestigingsdirecteur is komen te vervallen, maar dit kan in het midden blijven omdat hij zelf heeft aangegeven dat sprake is van aanbod en aanvaarding met betrekking tot de functie van bedrijfsleider technisch beheer te [plaats] . Volgens [gedaagde] had [eiser] het aanbod nog niet aanvaard omdat nog moest worden gesproken over de voorwaarden, maar dat betekent niet dat geen sprake was van aanbod en aanvaarding met betrekking tot deze functie. Immers, door [gedaagde] is aangegeven dat het salaris en overige arbeidsvoorwaarden ongewijzigd bleven in de nieuwe functie. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] , zoals hij aanvoert, slechts gesproken heeft over het zetten van ‘puntjes op de i’ met betrekking tot de formaliteiten. Gelet op de toespraak die [eiser] vervolgens heeft gehouden is immers duidelijk dat het gaat om aanvaarding van die functie per 1 januari 2026.
4.9.
Voor zover [gedaagde] heeft beoogd andere omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag te leggen heeft zij niet voldoende uitgewerkt waarom van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat betekent dat de e- en de g-grond op dit moment niet tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. De i-grond is niet bedoeld om de niet-geslaagde e- en g-grond te repareren.
4.10.
Het subsidiaire verzoek in zaak I zal daarom worden toegewezen, op straffe van een dwangsom als hierna te melden. Uit het voorgaande volgt in zaak II dat het verzoek van [gedaagde] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.
4.11.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
In de zaak met nummer 12046136 \ KK EXPL 26-10
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen 24 uur na betekening van deze uitspraak toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden als bedrijfsleider technisch beheer te [plaats] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 100.000,00,
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad [3] ,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In de zaak met nummer 120815589 \ EA VERZ 26-102
5.5.
wijst de verzoeken af,
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
33806

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.