ECLI:NL:RBAMS:2026:7184

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
13/336359-25 (zaak A) en 13/045026-26 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 55 SrArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak explosie en poging ontploffing, veroordeling voor bezit geladen vuurwapen

Op 2 en 3 september 2025 vonden explosies en een poging tot ontploffing plaats bij horecaondernemingen in Amsterdam. Verdachte kwam in beeld door DNA-sporen op een rugtas, een plastic fles en vuurwerk, maar de rechtbank achtte deze sporen onvoldoende als dadersporen vanwege de gedeelde woonomgeving en het ontbreken van aanvullend bewijs.

De rechtbank concludeerde dat verdachte niet met voldoende zekerheid betrokken was bij de explosies of de poging daartoe en sprak hem vrij van deze feiten. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 8 december 2025 in zijn woning een geladen pistool van het merk Glock en munitie in bezit had.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op, met aftrek van voorarrest, vanwege het ernstige karakter van het wapenbezit en het risico voor de samenleving. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken van de explosie- en pogingfeiten.

De rechtbank motiveerde de straf mede aan de hand van het strafblad van verdachte, het reclasseringsadvies en het feit dat het wapen niet veilig was opgeborgen. De teruggave van geld en mobiele telefoons werd bevolen, terwijl het vuurwapen, munitie en verdovende middelen werden onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van explosie- en pogingfeiten, maar veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf voor bezit geladen vuurwapen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/336359-25 (zaak A) en 13/045026-26 (zaak B)
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam PI] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.J.C. Verlaan naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. M. Veldman, en van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] , bijgestaan door mr. D.M. Rupert en nader toegelicht door [benadeelde partij 3] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting van 3 juni 2026 – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
1.
het medeplegen van het tot ontploffing brengen van een geïmproviseerd explosief op 2 september 2025 bij het pand aan de [adres] , subsidiair het medeplegen van de voorbereiding daarvan;
2.
het medeplegen van het voorhanden hebben van een geïmproviseerd explosief in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 2 september 2025 in Amsterdam;
3.
het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen (Glock) en patronen van het kaliber 9x19 mm op 8 december 2025 in Amsterdam;
Zaak B
1.
het medeplegen van een poging tot het tot ontploffing brengen van een geïmproviseerd explosief op 3 september 2025 bij het pand aan de [adres] , subsidiair de medeplichtigheid daaraan;
2.
het medeplegen van het voorhanden hebben van een geïmproviseerd explosief in de periode van 2 september 2025 tot en met 3 september 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Inleiding

Op vrijdag 29 augustus 2025 rond 2.50 uur vond er een explosie plaats bij het adres [adres] , een bedrijfspand van horecaonderneming ‘De Pizzabakkers’. In de maand daarna vonden er nog vijf explosies en een poging daartoe plaats, waarvan een aantal duidelijk gericht waren op dezelfde horecaonderneming, en waarvan de politie vermoedde dat ze verband met elkaar hielden. In alle gevallen werd vermoedelijk gebruik gemaakt van explosieven bestaande uit meerdere stuks zwaar vuurwerk in combinatie met een brandbare vloeistof (geïmproviseerde explosieve constructies die bekend staan als een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC)) en ontstond - al dan niet door brand - schade aan de betreffende panden.
Eén van de explosies vond plaats op 2 september 2025 rond 5.30 uur bij het adres [adres] , een bedrijfspand van horecaonderneming ‘Sagra Food & Wine’. Verdachte is ten aanzien van deze explosie in beeld gekomen naar aanleiding van DNA-onderzoek aan een op straat gevonden rugtas en plastic flesje (zaak A feit 1 en 2).
Op 3 september 2025 rond 1.25 uur werd door de politie, die vanwege eerdere explosies live aan het meekijken was via beveiligingscamera’s, gezien hoe (naar later bleek) de minderjarige [naam minderjarige] (hierna: [naam minderjarige] ) een tas ophing aan het pand van horecaonderneming ‘De Pizzabakkers’ aan de [adres] . In de tas bleek een geïmproviseerd explosief te zitten. Naast [naam minderjarige] zijn nog twee andere jongens ( [naam 1] en [naam 2] ), waarvan de laatste ook minderjarig, veroordeeld voor hun betrokkenheid. [1] Verdachte is ten aanzien van deze poging om een explosief tot ontploffing te brengen in beeld gekomen naar aanleiding van DNA-onderzoek aan het zware vuurwerk (Cobra C6) dat was aangetroffen in de tas (zaak B feit 1 en 2).
Verdachte is op 8 december 2025 aangehouden in zijn woning. Bij de doorzoeking van de woning is in de slaapkamer van verdachte een met patronen geladen vuurwapen aangetroffen.
De rechtbank zal hieronder eerst – kort samengevat – de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven. Daarna volgen de overwegingen en het oordeel van de rechtbank.

5.Standpunten van procespartijen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het tot ontploffing brengen van het explosief op 2 september 2025 (zaak A feit 1 primair) en de poging daartoe op 3 september 2025 (zaak B feit 1 primair). Wel kunnen respectievelijk de voorbereiding daarvan (zaak A feit 1 subsidiair) en de medeplichtigheid daaraan (zaak B feit 1 subsidiair) worden bewezen. Ook ten aanzien van de in zaak A en B overige tenlastegelegde feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Dat een tas van verdachte is gebruikt en dat DNA-materiaal van verdachte op een dop van een plastic flesje is aangetroffen is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De tas en het flesje betreffen verplaatsbare objecten die bovendien werden bewaard in een gedeelde woonomgeving. Daar komt bij dat op zowel de tas als op de dop van het flesje DNA-materiaal van meerdere personen is aangetroffen en dat deze dus door meerdere personen zijn aangeraakt. Niet is komen vast te staan wanneer de DNA-sporen zijn ontstaan, waar de sporen zijn ontstaan en door welke handelingen de sporen zijn ontstaan en daardoor kan niet gesproken worden van dadersporen. Ook ontbreekt er aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ook moet worden vrijgesproken van de in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Hoewel er DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen op de Cobra, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Op de Cobra is DNA-materiaal van meerdere personen aangetroffen en er is sprake van een vrij beperkt overtuigende bewijskracht. Ook in deze zaak ontbreekt er aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte.
Volgens de raadsman kan niet worden gezegd dat de bevindingen in de zaken A en B elkaar versterken. Ten aanzien van de overige in het dossier genoemde incidenten met explosieven ontbreekt de koppeling met verdachte. Bovendien bevat het dossier juist contra-indicaties voor de betrokkenheid van verdachte. Verdachte communiceert namelijk niet met uitvoerders en/of medeverdachten, hij komt niet voor in belastende berichten en de enkelbandgegevens ondersteunen zijn afwezigheid op belangrijke momenten en plekken. Ook komen de in de woning van verdachte aangetroffen tape en benzine niet overeen met de tape en benzine die bij het maken van de explosieven zijn gebruikt.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het in zaak A onder 3 tenlastegelegde feit.

6.Oordeel van de rechtbank

6.1.
Vrijspraak van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde
Ten behoeve van de leesbaarheid heeft de rechtbank ervoor gekozen om hier alle feiten waarvoor tot een vrijspraak wordt gekomen samen te bespreken, omdat de rechtbank in deze gevallen tot dezelfde overweging komt.
Feiten en omstandigheden ten aanzien 2 september 2025
Uit de stukken in het dossier blijkt dat er op 2 september 2025 rond 5.30 uur een explosie heeft plaatsgevonden bij het pand aan de [adres] , waar de horecaonderneming ‘Sagra Food & Wine’ was gevestigd. Het pand was zwaar beschadigd door de hitte en het vuur van de explosie en de daaropvolgende brand.
Naar aanleiding van de explosie is politieonderzoek verricht bij het pand en in de omgeving daarvan. Verderop in de straat werd een rugtas van het merk ‘Eastpak’ gevonden, die naar motorbenzine rook. Deze tas werd bemonsterd bij onder andere de ritsen en de touwtjes. Bij onderzoek aan deze bemonsteringen werd er een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen waaronder – met een zeer hoge waarschijnlijkheidsgraad - dat van verdachte. Het resultaat van het DNA-onderzoek was dat het ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA van verdachte en twee onbekende personen bevat, dan dat de bemonstering DNA bevat van drie onbekende personen. Verdachte heeft verklaard dat de tas van hem is.
Op de weg voor het pand werd een plastic fles gevuld met motorbenzine gevonden. Van de binnenkant van de dop is een bemonstering genomen. Bij onderzoek aan deze bemonstering werd er een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren aangetroffen, waaronder mogelijk dat van verdachte. Er is geen berekening van de bewijskracht uitgevoerd.
Feiten en omstandigheden ten aanzien van 3 september 2025
Op 3 september 2025 werd rond 1.25 uur door de politie via beveiligingscamera’s gezien hoe (naar later bleek) de minderjarige [naam minderjarige] een tas ophing aan het pand van horecaonderneming ‘De Pizzabakkers’ aan de [adres] , terwijl hij bezig was met een aansteker. In de tas bleek een geïmproviseerd explosief te zitten. Voorkomen kon worden dat dit explosief tot ontploffing werd gebracht, omdat [naam minderjarige] kon worden aangehouden.
Door de politie is onderzoek verricht aan de tas en het geïmproviseerde explosief. Het explosief bestond uit drie met vloeistof gevulde plastic flessen die met tape aan elkaar waren vastgebonden. Tussen de drie flessen waren drie stuks professioneel vuurwerk van het type "Super Cobra 6" aan elkaar getapet. Van de lonten en papierranden van de Cobra’s zijn bemonsteringen genomen. Bij onderzoek aan deze bemonsteringen, specifiek de bereikbare delen van de Cobra’s, werd een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen. Bij het berekenen van de bewijskracht is aangenomen dat de bemonstering DNA-materiaal bevatte van minstens vier personen en is geconcludeerd dat het resultaat van het onderzoek ongeveer 100.000 keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA-materiaal bevat van verdachte en drie onbekende personen, dan wanneer het DNA-materiaal bevat van vier willekeurige onbekende personen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een Cobra heeft aangeraakt.
Weging van de feiten en omstandigheden in het licht van het tenlastegelegde
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat DNA van verdachte op enig moment op de rugtas en de dop van de plastic fles die op 2 september 2025 bij het tot ontploffing brengen van het explosief zijn gebruikt, is terechtgekomen. Ook kan worden vastgesteld dat DNA van verdachte op enig moment op een Cobra die op 3 september 2025 is aangetroffen, terecht is gekomen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat er sterke aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij beide incidenten.
De rechtbank is echter van oordeel dat, op basis van hetgeen naar voren komt in het procesdossier, de DNA-sporen in beide zaken niet zonder meer kunnen worden gezien als dadersporen. Niet kan worden vastgesteld wanneer, onder welke omstandigheden en door welke handeling het DNA-materiaal van verdachte op de rugtas, de dop van de fles en de Cobra terecht is gekomen. Daarvoor is het volgende redengevend.
Het DNA-materiaal is aangetroffen op verplaatsbare voorwerpen, waar bovendien DNA-materiaal van andere personen op is aangetroffen. Verdachte heeft een scenario geschetst waaruit kan worden verklaard dat zijn DNA-materiaal op de voorwerpen terecht is gekomen. Hij heeft verklaard dat hij samen met twee anderen (de rechtbank begrijpt: [naam 3] en [naam 4] ) een woning deelde, waar ook regelmatig andere mensen over de vloer kwamen, en dat de rugtas en lege flessen in gemeenschappelijke ruimtes van de woning lagen. Dit wordt bevestigd in de verhoren van [naam 3] en [naam 4] . [naam 3] heeft verklaard dat in de gemeenschappelijke ruimtes van de woning spullen van hen allemaal lagen en zowel [naam 3] als [naam 4] hebben verklaard dat er ook wel eens andere mensen in de woning kwamen.
De vraag is dan of er naast het op de plaatsen delict aangetroffen DNA-materiaal van verdachte voldoende steunbewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.
Er heeft in beide zaken uitgebreid tactisch en forensisch onderzoek plaatsgevonden, dat geen belastend bewijs ten aanzien van verdachte heeft opgeleverd. De veroordeelde medeverdachten [naam minderjarige] , [naam 1] en [naam 2] hebben geen belastende verklaring over verdachte afgelegd. Ten aanzien van 2 september 2025 geldt dat verdachte volgens de gegevens van zijn enkelband ten tijde van de explosie thuis was en dus niet op de plaats delict kan worden geplaatst. Uit onderzoek is gebleken dat de in de woning van verdachte aangetroffen benzine en tape niet overeenkwamen met de benzine en tape die zijn gebruikt bij het maken van de geïmproviseerde explosieven. Onderzoek naar dactyloscopische sporen heeft geen match met verdachte opgeleverd. Ook onderzoek naar de financiën, de telecomgegevens en de inhoud van de telefoon van verdachte heeft niets belastend opgeleverd. Van de op de telefoon van verdachte aangetroffen teksten die mogelijk belastend zouden kunnen worden uitgelegd
(“vandaag c6 € 2.000,- eigen vervoer. Voorschot word niet meer gegeven manne rennen weg der"en
"C6 met vervoer [adres] ") kan niet worden vastgesteld hoe en wanneer die op de telefoon terecht zijn gekomen en hoe deze, zonder nadere context, precies moeten worden geïnterpreteerd.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte als (mede)pleger of in de voorbereiding betrokken is geweest bij de explosie op 2 september 2025, of dat hij als (mede)pleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de poging tot het tot ontploffing laten brengen van een explosief op 3 september 2025. Hetzelfde geldt voor het voorhanden hebben van de geïmproviseerde explosieven die op beide data zijn gebruikt. De aangetroffen sporen rechtvaardigden zonder meer een vermoeden dat verdachte hierbij betrokken was, maar het uitgebreide onderzoek dat nadien heeft plaatsgevonden heeft onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opgeleverd.
Dat betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 en 2 en de in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
6.2.
Het oordeel over het in zaak A onder 3 tenlastegelegde
Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. [2]
Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 8 december 2025 trof de politie in de slaapkamer van verdachte op de bank een vuurwapen en munitie aan. [3] Het vuurwapen zat verpakt in een zwarte sok, die in een schoudertasje zat. Het bleek te gaan om een pistool van het merk Glock, model 45, kaliber 9x19 mm (synoniem voor 9 mm Luger). Er zat een langer dan normaal patroonmagazijn in het vuurwapen, dat geschikt was voor 27 patronen. Het vuurwapen was op het moment van aantreffen geladen met minstens 20 patronen. De patronen waren zeer waarschijnlijk geschikt om verschoten te worden met het aangetroffen vuurwapen. [4]
Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen al een paar dagen in bewaring had voor iemand anders. Verdachte zou er ‘een paar tientjes’ voor krijgen en de betreffende niet nader genoemde eigenaar zou het wapen later die week weer ophalen. Verdachte heeft het patroonmagazijn uit het vuurwapen gehaald en er weer in gezet en daarna het vuurwapen opgeborgen. [5]
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het met patronen geladen vuurwapen en daarover heeft kunnen beschikken en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben hiervan.

7.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 6.2. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van het in zaak A onder feit 3 tenlastegelegde:
op 8 december 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, type 45, kaliber 9 x 19mm (synoniem 9 mm Luger), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 20, patronen van het kaliber 9 mm x 19 (synoniem 9 mm Luger) voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10.Motivering van de straf

10.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.
10.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte al lange tijd in voorarrest zit en dat hij zijn woning, werk en het lopende begeleidingskader is verloren. Bij een veroordeling voor het bezit van het vuurwapen en de munitie zou hoogstens een gevangenisstraf voor de duur van het thans ondergane voorarrest moeten worden opgelegd.
10.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft een met patronen geladen pistool voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en het voorhanden hebben daarvan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.
Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen tegen een vergoeding in bewaring had voor iemand anders, maar heeft niet willen zeggen voor wie en hoe die persoon bij hem terecht is gekomen. De rechtbank kan niet vaststellen of deze verklaring juist is. Als dit al het geval is dan rekent de rechtbank verdachte aan dat hij lichtvaardig het wapen voor die ander heeft bewaard, zonder zich daarbij af te vragen waar die ander het wapen voor zou kunnen gebruiken.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 24 februari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verschillende vermogens- en geweldsdelicten en dat aan hem eerder een PIJ-maatregel is opgelegd.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 mei 2026. In dit advies wordt beschreven dat verdachte tot op heden nog geen stabiele periode een delictvrij bestaan heeft kunnen opbouwen. De begeleiding die verdachte sinds zijn laatste detentie in mei 2025 kreeg heeft hem tot op heden niet kunnen weerhouden te recidiveren. De reclassering blijft vragen houden over het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn morele kompas en welke koers hij hiermee denkt te gaan varen in de toekomst. Ook is er onvoldoende zicht op het sociale netwerk van verdachte, dat risicoverhogend lijkt te zijn. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De huidige voorwaarden zijn ontoereikend gebleken om te werken aan recidivebeperking en de reclassering kan geen aanvullende voorwaarden aanduiden waarmee dit wel zou kunnen. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer voor gedragsverandering en risicobeperking binnen een toezicht. De reclassering adviseert daarom een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Straf
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een openbare ruimte geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een woning geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank – naast de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering – ook mee dat het vuurwapen, hoewel het zich in de woning bevond, op een plek lag die makkelijk toegankelijk was voor derden (huisgenoten en/of andere personen die in de woning kwamen). Het wapen lag weliswaar in een tasje op de slaapkamer van verdachte, maar was niet achter slot en grendel opgeborgen en was bovendien geladen met scherpe munitie. Daarmee heeft verdachte een aanmerkelijk groter veiligheidsrisico in het leven geroepen dan bij een louter veilige opslag het geval zou zijn geweest.
De rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het feit en hetgeen is beschreven door de reclassering geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk (met bijzondere voorwaarden) op te leggen.
Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat verdachte van vier feiten wordt vrijgesproken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

11.Beslag

11.1.
In beslag genomen voorwerpen
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 1 STK Verdovende Middelen (G6747082);
  • 1 STK Pistool (G6747123);
  • 1 DV Patroon (G6747124);
  • Geldbedrag van € 730,- (G6747101);
  • 1 STK GSM (G6747088);
  • 1 STK GSM (G6747086);
  • 1 STK GSM (G6747087).
11.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het geldbedrag van € 730,- en de drie mobiele telefoons te retourneren aan verdachte. De overige in beslag genomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
11.3
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het geldbedrag van € 730,- en de drie mobiele telefoons te retourneren aan verdachte.
11.4.
Oordeel van de rechtbank
Retour verdachte
Gelast de teruggave aan verdachte van:
  • Een geldbedrag van € 730,- (G6747101);
  • 1 STK GSM (G6747088);
  • 1 STK GSM (G6747086);
  • 1 STK GSM (G6747087).
Onttrekking aan het verkeer
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 STK Pistool (G6747123);
  • 1 DV Patroon (G6747124);
omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1 STK Verdovende Middelen (G6747082);
omdat dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

12.De benadeelde partijen

12.1.
De vorderingen
Ten aanzien van zaak A onder feit 1:
De benadeelde partij
[benadeelde partij 1]vordert € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede € 1.361,- aan proceskosten.
Ten aanzien van zaak B onder feit 1:
De benadeelde partij
[benadeelde partij 2]vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij
[benadeelde partij 3]vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij
[benadeelde partij 4]vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij
[benadeelde partij 5]vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
12.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om alle vorderingen toe te wijzen.
12.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de door hem bepleite vrijspraken.
12.4.
Oordeel van de rechtbank
In artikel 361, tweede lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering staat – kort gezegd en voor zover van toepassing – dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering als aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Zoals hiervoor overwogen en geoordeeld wordt verdachte vrijgesproken van de feiten waarop de vorderingen van de benadeelde partijen zien. Hierdoor wordt niet voldaan aan een van de ontvankelijkheidsvereisten zoals genoemd in voornoemd artikel. De benadeelde partijen worden daarom in de vorderingen niet ontvankelijk verklaard.
Nu de benadeelde partijen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat de benadeelde partijen en de verdachte hun eigen kosten dragen.

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

14.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder feit 1 en 2 tenlastegelegde en het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder feit 3
eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
 Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Verdovende Middelen (G6747082)
- 1 STK Pistool (G6747123)
- 1 DV Patroon (G6747124)

Gelast de teruggave aan verdachte van:
- Een geldbedrag van € 730,- (G6747101)
- 1 STK GSM (G6747088)
- 1 STK GSM (G6747086)
- 1 STK GSM (G6747087)
 Verklaart
[benadeelde partij 1] niet ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Verklaart
[benadeelde partij 2] niet ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Verklaart
[benadeelde partij 3] niet ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Verklaart
[benadeelde partij 4] niet ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Verklaart
[benadeelde partij 5] niet ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. B. Vogel en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.

Voetnoten

2.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hiernavolgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
3.Proces-verbaal van doorzoeking (documentcode 21773564) van 8 december 2025, p. 76-78.
4.Proces-verbaal wapenonderzoek van 8 december 2025, p. 79-82.
5.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juli 2026.