ECLI:NL:RBAMS:2026:7111

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/13/785691 / HA ZA 26-304
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1021 RvArt. 1022 lid 1 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst beroep op arbitragebeding af wegens ontbreken toepasselijkheid UAV 2012

In deze civiele procedure tussen een aannemer en een particuliere opdrachtgever staat centraal of een arbitragebeding uit de UAV 2012 van toepassing is op hun aanneemovereenkomst. De opdrachtgever vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege een arbitragebeding in de UAV 2012, terwijl de aannemer stelt dat haar eigen algemene voorwaarden gelden en dat het arbitragebeding niet van toepassing is.

De rechtbank onderzoekt de schriftelijke overeenkomsten en constateert dat de UAV 2012 niet expliciet is opgenomen in de aanneemovereenkomst, terwijl wel is afgesproken dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing zijn. De verwijzingen naar de UAV 2012 in andere documenten zijn onvoldoende om het arbitragebeding van toepassing te verklaren.

Daarom wijst de rechtbank het incidentele beroep op onbevoegdheid af en veroordeelt de opdrachtgever in de proceskosten. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere uitlatingen over de forumkeuze in de algemene voorwaarden van de aannemer.

Uitkomst: De rechtbank wijst het incidentele beroep op onbevoegdheid af omdat de UAV 2012 niet van toepassing is verklaard in de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/785691 / HA ZA 26-304
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. G.P.R. Steenmeijer,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. L. Pander.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 maart 2026 met producties,
  • de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 1022 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met producties,
  • de conclusie van antwoord in het incident met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten in het incident

2.1.
[gedaagde] heeft als particulier aannemer [eiser] ingeschakeld om haar woning te verbouwen.
2.2.
[gedaagde] heeft voor de verbouwing een architect ingeschakeld die een ontwerp en de technische omschrijving heeft opgesteld. In de technische omschrijving staat:
“(…) Van toepassing zijnde voorwaarde en voorschriften:
Van toepassing zijn de standaard technische bepalingen in de STABU-standaard 2012, alsmede, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk is afgeweken in het bestek/technische omschrijving, de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), vastgesteld bij beschikking van 19 januari 2012 nr. 2011-2000541953 van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, zoals deze zijn opgenomen in de STABU-standaard 2012.(…)”
2.3.
Partijen hebben op 3 juni 2024 een document ondertekend met de titel “Overeenkomst van aanneming van werk in regie” waarin staat:
“(…)Artikel 14 Algemene Pro Voorwaarden
1. Op het werk zijn van toepassing de Algemene Verkoop-, leverings- en betalingsvoorwaarden van [eiser] BV, waarvan een exemplaar is bijgevoegd. In geval van strijdigheid tussen de inhoud van deze opdrachtbevestiging enerzijds en andere contractbescheiden anderzijds prevaleert het in de overeenkomst bepaalde. (…)”
2.4.
Hierna heeft [eiser] op 10 september 2024 een calculatie opgesteld. Daarin staat:
“(…) ALGEMENE VOORWAARDEN
- UAV 2012 van toepassing
- Begroting opgebouwd vanuit de technische omschrijving NOWA DESIGN STUDIO (...)”
2.5.
Op 16 en 17 september 2024 hebben partijen een document ondertekend met de titel “Overeenkomst van aanneming van werk in regie” waarin staat:
“(…)Artikel 3 Contractstukken Pro
Het werk dat wordt uitgevoerd is omschreven in de volgende aangeleverde en de te ontvangen stukken:
- Calculatie opgesteld door [naam] d.d.: 10-09-2024
- Calculatie opgesteld door [naam] d.d.: 10-09-2024
(Calculatie wordt gebruikt als leidraad tijdens de uitvoering van het project)
o Renovatie woning [woonplaats] 10-09-2024
o Concept Planning Renovatie Woning [woonplaats] [nummer]
o 0500- BOUWPLAATSTEKENING [adres], [bestandsnaam 1]
- Technische Omschrijving NOWA Design Studio d.d: 30-10-2023
o [bestandsnaam 2] (…)
Artikel 14 Algemene Pro Voorwaarden
Op het werk zijn van toepassing de Algemene Verkoop-, leverings- en betalingsvoorwaarden van [eiser] BV, waarvan een exemplaar is bijgevoegd. In geval van strijdigheid tussen de inhoud van deze opdrachtbevestiging enerzijds en andere contractbescheiden anderzijds prevaleert het in de overeenkomst bepaalde. (…)”

3.De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

3.1.
[eiser] vordert in de hoofdzaak betaling van een bedrag van € 760.985,24, vermeerderd met rente en kosten. Zij legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen uit de aanneemovereenkomst niet is nagekomen. Zij heeft namelijk drie facturen onbetaald gelaten.
3.2.
[gedaagde] heeft vervolgens een incidentele vordering ingesteld. In het incident vordert zij dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard. Partijen hebben afgesproken dat geschillen uit de overeenkomst uitsluitend kunnen worden voorgelegd aan de Raad voor Arbitrage. Dat staat in artikel 49 van Pro de UAV 2012 (een zogenoemd arbitragebeding), die volgens [gedaagde] op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn.
3.3.
[eiser] vindt dat niet de UAV 2012, maar haar eigen algemene voorwaarden van toepassing zijn en [gedaagde] dus geen beroep kan doen op het arbitragebeding. Bovendien is [gedaagde] een consument. Volgens de regels voor consumenten is het arbitragebeding in de UAV 2012 onredelijk bezwarend. Ook daardoor ligt het niet voor de hand dat is beoogd de toegang tot de burgerlijke rechter uit te sluiten. [eiser] vraagt de rechtbank de incidentele vordering van [gedaagde] af te wijzen en te bepalen dat de rechtbank bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
De rechtbank wijst de vordering incident af, omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat UAV 2012 op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is en daarmee ook onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een arbitragebeding zijn overeengekomen. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Juridisch kader
4.2.
Als partijen (geldig) hebben afgesproken dat zij zich bij een geschil (eerst of uitsluitend) tot de Raad van Arbitrage zullen wenden, en een partij beroept zich daar op tijd (‘voor alle weren’) op, dan verklaart de rechtbank zich onbevoegd. [1] [gedaagde] heeft in haar eerste processtuk genoemde onbevoegdheid van de rechter ingeroepen. [gedaagde] was daarmee op tijd en is daarom ontvankelijk in het incident.
4.3.
Artikel 1021 Rv Pro bepaalt dat een overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden die in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
Er is geen sprake van een overeenkomst tot arbitrage
4.4.
Omdat [gedaagde] zich op het arbitragebeding beroept, moet zij feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat partijen dat beding overeen zijn gekomen. Wat partijen overeen zijn gekomen wordt vastgesteld aan de hand van wat zij daarover schriftelijk hebben vastgelegd en wat zij verder hebben verklaard en gedaan en wat zij daaruit over een weer hebben mogen afleiden.
4.5.
Uit de schriftelijke overeenkomst tussen partijen (zowel die van juni als die van september 2024) is niet af te leiden dat de UAV 2012 op die overeenkomst van toepassing zijn; de UAV 2012 wordt in de aanneemovereenkomst niet genoemd. Dat er algemene voorwaarden op de aanneemovereenkomst van toepassing en dat het de algemene voorwaarden van [eiser] zijn, is wel uitdrukkelijk geregeld, namelijk in artikel 14, zie eerder overweging 2.5. [gedaagde] heeft niet gesteld dat dit artikel geen juiste weergave is van wat partijen bedoeld hebben af te spreken. Daar is dus overeenstemming over bereikt. [gedaagde] heeft geen omstandigheden aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat partijen daarnaast ook de bedoeling hebben gehad om UAV 2012 op de overeenkomst van toepassing te verklaren. Dat beide partijen in andere stukken, waarnaar in de aanneemovereenkomst is verwezen, wél verwijzen naar de UAV 2012 is daarvoor onvoldoende. Als het de wens van partijen was om naast de algemene voorwaarden van [eiser] ook de UAV 2012 op de aanneemovereenkomst van toepassing te verklaren, had het voor de hand gelegen dat in genoemd artikel 14 te Pro regelen.
4.6.
De rechtbank voldoet niet aan het verzoek van [eiser] te bepalen dat de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen, gelet op wat hierna onder 5.2 wordt overwogen.
Proceskosten in het incident
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten, totaal € 842,00, plus de verhoging en de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing.

5.In de hoofdzaak: uitlaten over forumkeuze

5.1.
[eiser] haalt in haar conclusie van antwoord in incident artikel 18.2 van haar algemene voorwaarden aan. Daarin staat:
“(…)Artikel 18 Toepasselijk Pro recht en geschillen
(…) Alle tussen partijen rijzende geschillen zullen worden beslecht — zulks ter keuze van de aannemer — door de bevoegde Rechter te ‘s-Gravenhage, danwel door de Raad van Arbitrage voor de bouwbedrijven in Nederland. In het laatste geval van toepassing de statuten van de Raad van Arbitrage, zoals deze gelden op het tijdstip waarop het geschil bij de Raad van Arbitrage aanhangig wordt gemaakt. (…)”
5.2.
Zonder vooruit te willen lopen op de beoordeling in de hoofdzaak, is gezien de beoordeling in het incident de kans aanwezig dat de algemene voorwaarden van [eiser] op de aanneemovereenkomst van toepassing zijn en dat artikel 18 daarvan Pro van invloed is op de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam. Partijen worden verzocht zich hierover uit te laten. De hoofdzaak wordt daarom verwezen naar de rol van 29 juli 2026 voor akte aan de zijde van [eiser] om zich uit te laten over dit artikel in haar algemene voorwaarden en de consequenties daarvan voor de bevoegdheid van de rechtbank uit te laten. Daarna krijgt [gedaagde] een termijn van vier weken voor conclusie van antwoord waarin zij haar reactie op genoemde akte van [eiser] mee kan nemen.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de incidentele vordering af,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
6.5.
verwijst de zaak naar de rol van
29 juli 2026voor akte aan de zijde van [eiser] zoals bepaald in rechtsoverweging 5.2,
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Artikel 1022 lid 1 Rv Pro.