ECLI:NL:RBAMS:2026:7110

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12070919 CV EXPL 26-1014
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nakoming factoringsovereenkomst wegens onvoldoende bewijs

Freelancefactoring.com B.V. vordert betaling van €18.545,66 van [gedaagde] op grond van een factoringsovereenkomst waarbij vorderingen op opdrachtgevers worden verkocht. De vordering betreft koopsommen, een boete, rente en kosten vanwege niet-betaling door opdrachtgever Stichting Pergamijn.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Pergamijn betwist de rechtmatigheid van de vorderingen niet, maar betaalt niet vanwege een administratief probleem met het btw-nummer van [gedaagde]. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor retrocessie en boete zoals in de overeenkomst opgenomen.

Freelancefactoring heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij het sluiten van de overeenkomst of de overdracht van vorderingen. De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] te goeder trouw heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.

Freelancefactoring wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] ad €194,00, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Freelancefactoring af wegens onvoldoende bewijs en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12070919 \ CV EXPL 26-1014
Vonnis van 10 juli 2026
in de zaak van
FREELANCEFACTORING.COM B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Freelancefactoring,
gemachtigde: Axen Juristen,
tegen
[gedaagde](handelend onder de naam
[handelsnaam]),
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 9 januari 2026 met producties,
  • de conclusie van antwoord,
  • de aanvulling op de conclusie van antwoord,
  • het tussenvonnis van 13 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
  • de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen hebben een zogenoemde factoringovereenkomst gesloten. Die houdt kort gezegd in dat [gedaagde] de vorderingen die zij op haar (zakelijke) opdrachtgevers heeft steeds aan Freelancefactoring verkoopt. Freelancefactoring betaalt daarvoor 95,6% van het factuurbedrag aan [gedaagde] ; de rest is haar fee. Freelancefactoring int vervolgens de facturen bij de opdrachtgevers van [gedaagde] . Op enig moment kan Freelancefactoring de facturen van [gedaagde] bij één opdrachtgever, Stichting Pergamijn, niet meer innen. Pergamijn betaalt niet op de facturen omdat er een probleem is met het btw-nummer van [gedaagde] . Freelancefactoring vordert in deze procedure € 18.545,66 van [gedaagde] en beroept zich daarbij op de overeenkomst tussen partijen. Genoemd bedrag bestaat uit het bedrag dat Freelancefactoring aan [gedaagde] heeft betaald in verband met de facturen van Pergamijn (‘de koopsommen’), € 8.418,29. Freelancefactoring vordert aan boete datzelfde bedrag en daarnaast rente en kosten. [gedaagde] vindt het onterecht dat Pergamijn niet aan Freelancefactoring betaalt, zij heeft namelijk voor die uren gewoon gewerkt. [gedaagde] zegt bezig te zijn de kwestie met het btw-nummer op te lossen zodat Pergamijn aan Freelancefactoring zal betalen. Zij vindt het niet redelijk als zij een boete zou moeten betalen, omdat zij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Freelancefactoring af, omdat de overeenkomst tussen partijen daarvoor geen grondslag biedt. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

3.De vordering van Freelancefactoring

3.1.
Freelancefactoring vordert – samengevat en na vermindering van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
i. € 18.545,66, bestaande uit
a. de contractuele boete van € 8.418,29,
b. de buitengerechtelijke incassokosten over de boete onder a. van € 1.262,74,
c. de koopsommen van € 8.418,29,
d. de wettelijke rente over de koopsommen onder c. van € 746,34,
e. te verminderen met € 300,00 aan betalingen door [gedaagde] ,
de wettelijke rente over de boete van € 8.168,29 vanaf 9 januari 2026 tot aan de dag van de volledige voldoening,
de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de van de volledige voldoening.
Freelancefactoring vraagt de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [1]

4.De beoordeling

Bevoegdheid rechtbank Amsterdam
4.1.
Partijen hebben beiden op de zitting verklaard dat zij willen dat de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam over dit geschil beslist, ondanks dat in de overeenkomst staat dat de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd is. De kantonrechter acht zichzelf op basis van deze verklaringen van partijen bevoegd.
[gedaagde] hoeft de koopsommen niet terug te betalen
4.2.
Freelancefactoring wil dat [gedaagde] de koopsommen van de verkochte vorderingen terugbetaalt. [gedaagde] heeft in haar schriftelijke reactie geschreven dat zij ‘de hoofdsom niet betwist’. Verderop in haar stellingen en op de zitting heeft zij echter over de koopsommen verklaard dat zij vindt dat Freelancefactoring daar recht op heeft en dat
Pergamijndit bedrag aan Freelancefactoring zou moeten betalen. Daaruit leidt de kantonrechter af dat zij vindt dat niet zij, maar Pergamijn de facturen aan [gedaagde] moet betalen. Freelancefactoring beroept zich voor de terugbetaling van de koopsommen op artikel 7 van Pro de overeenkomst tussen partijen. Daarin staat:
ARTIKEL 7 RETROCESSIE Pro
1. Indien de rechtmatigheid van (een deel van) een Overgedragen Vordering door een Debiteur wordt betwist (gereclameerd), dan stelt FreelanceFactoring Verkoper hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. Verkoper verplicht zich ertoe om binnen één (1) week na deze berichtgeving schriftelijk uitsluitsel te verschaffen aan FreelanceFactoring omtrent deze betwisting. Indien:
a. Verkoper aangeeft dat de betwisting door de Debiteur geheel of gedeeltelijk terecht is;
b. Verkoper niet binnen de gestelde termijn van één (1) week uitsluitsel verschaft; of
c. als de rechtmatigheid van de Overgedragen Vordering niet binnen drie (3) weken na de betwisting door de Debiteur komt vast te staan, zulks uitsluitend ter beoordeling van FreelanceFactoring;
2. is FreelanceFactoring gerechtigd de Overgedragen Vordering aan Verkoper terug te verkopen en retrocederen aan Verkoper (“Retrocessie”).
3. In een situatie als bedoeld in artikel 7.1, of indien sprake is van inbreuk op één of meer garanties opgenomen in artikel 8.1(e), dan is Verkoper op eerste verzoek van
FreelanceFactoring verplicht om retrocessie van de betreffende Overgedragen Vordering te aanvaarden tegen (terug)betaling van een bedrag gelijk aan het Aankoopbedrag, verminderd met een eventuele deelbetaling door de Debiteur, en vermeerderd met: (…)
b. buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van 15% van het Factuurbedrag incl. rente, gerechtelijke- en executiekosten gemaakt bij de incasso van de Overgedragen Vordering op de Debiteur; (…)”
4.3.
Kort gezegd schrijft dit artikel voor dat als een debiteur (hier: Pergamijn) de rechtmatigheid van een overgedragen vordering betwist de verkoper van de vordering (hier: [gedaagde] ) de vordering moet terugkopen voor hetzelfde bedrag als de koopsom. Omdat Freelancefactoring op grond van dit artikel betaling van [gedaagde] wil, moet Freelancefactoring feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan. De kantonrechter oordeelt dat Freelancefactoring dat onvoldoende heeft gedaan.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat Pergamijn de uren die [gedaagde] in rekening heeft gebracht niet heeft betwist en dat Pergamijn ook niet heeft betwist dat zij voor die uren moet betalen. Partijen zijn het er verder over eens dat Pergamijn niet betaalt, omdat het btw-nummer van [gedaagde] onjuist of inactief is. Dat is een administratieve kwestie. Op basis daarvan kan de kantonrechter niet vaststellen dat Pergamijn de rechtmatigheid van de vorderingen, anders gezegd; de grondslag van de factuur, heeft betwist. Daarmee heeft Freelancefactoring onvoldoende onderbouwd dat aan dit vereiste van artikel 7 van Pro de overeenkomst is voldaan. [gedaagde] hoeft de koopsommen dus niet terug te betalen aan Freelancefactoring. Dat deel van de vordering van Freelancefactoring wordt afgewezen.
[gedaagde] hoeft geen boete te betalen
4.5.
Freelancefactoring vindt dat [gedaagde] een boete moet betalen omdat zij één van de garanties in artikel 8 van Pro de overeenkomst heeft geschonden. Op grond van artikel 11 lid 4 is Pro zij dan een boete verschuldigd. Op de zitting heeft Freelancefactoring desgevraagd toegelicht dat [gedaagde] volgens Freelancefactoring de garanties uit artikel 8 lid 1 sub Pro d, en lid 1 sub e onder xiii, xiv en xvi heeft geschonden.
4.6.
In de hiervoor genoemde bepalingen uit de overeenkomst staat:
ARTIKEL 11 VERZUIM Pro
4. Indien Verkoper één of meer van de garanties opgenomen in artikel 8 van Pro deze Overeenkomst heeft geschonden is Verkoper aan FreelanceFactoring een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd ten bedrage van de nominale waarde van de relevante Overgedragen Vordering. Deze boete fungeert als een prikkel tot nakoming en laat onverlet het recht van FreelanceFactoring op schadevergoeding.
ARTIKEL 8 GARANTIES Pro
1. Verkoper garandeert jegens FreelanceFactoring dat de volgende verklaringen zowel op de datum van deze Overeenkomst als op de datum van iedere Akte van Cessie juist en volledig zijn: (…)
d. alle door Verkoper aan FreelanceFactoring verstrekte informatie over Verkoper zelf geeft een getrouw en juist beeld en de daarin vermelde gegevens zijn niet misleidend;
e. elke Overgedragen Vordering voldoet op het moment van Overdracht aan elk van de volgende eisen: (…)
xiii. alle informatie die voor FreelanceFactoring als koper van de Overgedragen Vordering relevant is of kan zijn, is door Verkoper aan FreelanceFactoring verstrekt;
xiv. alle door Verkoper aan FreelanceFactoring verstrekte informatie over de Overgedragen Vordering en de Debiteur geeft een getrouw en juist beeld en de daarin vermeldde gegevens zijn niet misleidend; (…)
xvi. over de Overgedragen Vordering of de hoogte daarvan bestaat geen dispuut en Verkoper heeft geen twijfel dat betaling zal volgen; (…)
4.7.
Hieruit volgt kort gezegd dat als [gedaagde] één of meer garanties uit artikel 8 heeft Pro geschonden zij een boete moet betalen ter hoogte van de nominale waarde van de relevante overgedragen vordering(en). In artikel 8 geeft Pro [gedaagde] de garantie dat een aantal verklaringen over haarzelf en de vorderingen op haar opdrachtgevers op de datum van de overeenkomst en op de datum dat de vorderingen aan Freelancefactoring worden verkocht (‘akte van cessie’) juist en volledig zijn. Ook hier geldt dat omdat Freelancefactoring op grond van dit artikel wil dat [gedaagde] een boete betaalt, Freelancefactoring feiten en omstandigheden moet aandragen waaruit blijkt dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan. De kantonrechter oordeelt dat Freelancefactoring dat ook op dit punt onvoldoende heeft gedaan.
4.8.
Volgens Freelancefactoring heeft [gedaagde] haar op het verkeerde been gezet door te verzwijgen dat zij schulden had bij de Belastingdienst en dat haar btw-nummer (daardoor) inactief was. Freelancefactoring ging er namelijk steeds vanuit dat het btw-nummer onjuist was, in plaats van inactief. Ook heeft [gedaagde] geen terugkoppeling gegeven over haar contact met de Belastingdienst en duurde het erg lang voordat zij Freelancefactoring van meer informatie over de problemen met het btw-nummer voorzag. [gedaagde] heeft Freelancefactoring misleid door te stellen dat zij niet had begrepen dat Zorggunstig (een bemiddelingsbureau dat namens [gedaagde] facturen naar Pergamijn stuurde) een tussenpartij was, terwijl ze dat wel degelijk goed begrepen had. Ook heeft [gedaagde] geen toelichting of verklaring gegeven naar aanleiding van vragen van Freelancefactoring over haar btw-nummer.
4.9.
Freelancefactoring heeft hiermee onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] op het moment van het sluiten van de overeenkomst en de aktes van cessie voor de facturen in kwestie over meer of andere informatie beschikte dan zij heeft gegeven. [gedaagde] zegt te goeder trouw te hebben gehandeld. Freelancefactoring heeft hier te weinig tegenin gebracht. Uit niets blijkt dat [gedaagde] ten tijde van de het sluiten van de overeenkomst en de aktes van cessie al op de hoogte was van problemen met haar btw-nummer en daarover dus mededelingen had kunnen doen. Het dossier geeft daarvoor geen aanknopingspunten. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] op de hoogte is geraakt toen Pergamijn niet betaalde en Freelancefactoring daarover aan de bel trok. De laatste factuur aan Pergamijn is van 1 april 2025. Op de facturen staat dat de vordering op dat moment al gecedeerd is. Dat [gedaagde] op dat moment of eerder onjuiste of onvolledige informatie zou hebben verstrekt, kan dus niet worden vastgesteld. Om dezelfde reden heeft Freelancefactoring ook onvoldoende onderbouwd dat op het moment van de overdracht van de vordering sprake zou zijn van misleiding of dat er een geschil over de vorderingen of twijfel over betaling bestond. Of [gedaagde] in een later stadium voldoende adequaat heeft gereageerd op de kwestie van het btw-nummer en Freelancefactoring daarover voldoende heeft geïnformeerd, kan in het midden blijven, omdat die omstandigheden van latere datum zijn en niet terugkomen in de hiervoor aangehaalde artikelen (‘Garanties’) waar Freelancefactoring zich op heeft beroepen.
Conclusie
4.10.
De vorderingen, zowel voor de terugbetaling van de koopsommen (retrocessie) als de boete, worden dus afgewezen, omdat niet aan de daarvoor afgesproken voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
4.11.
Freelancefactoring is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
194,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Freelancefactoring af,
5.2.
veroordeelt Freelancefactoring in de proceskosten van [gedaagde] van € 194,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Freelancefactoring niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld, zo lang daarop nog niet is beslist.