ECLI:NL:RBAMS:2026:7076

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12147532 \ KK EXPL 26-190
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing exclusieve toekenning huurwoning na beëindiging affectieve relatie huurders

Partijen, die een affectieve relatie hadden, zijn gezamenlijk hoofdhuurder van een gezinswoning. Na beëindiging van hun relatie vorderde eiseres exclusief gebruik van de woning, terwijl gedaagde een tegenvordering instelde voor een ontruimingstermijn en exclusief gebruik.

De kantonrechter oordeelde dat geen van partijen een zwaarder belang heeft bij exclusief gebruik van de woning. Beide partijen zijn hoofdhuurder en hebben gelijke rechten en plichten. De woning is toegewezen op basis van hun gezamenlijke woonsituatie en woonduur.

Er is geen sprake van een acute onhoudbare of onveilige situatie. De kantonrechter benadrukte dat partijen in goed overleg leefbare afspraken moeten maken over het gebruik van de woning totdat alternatieve huisvesting is gevonden.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen in conventie en reconventie worden afgewezen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vorderingen tot exclusief gebruik van de huurwoning worden afgewezen; beide partijen blijven gezamenlijk hoofdhuurder met gelijke rechten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12147532 \ KK EXPL 26-190
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. B. Blanckenburg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Karami.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 24 maart 2026, met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd. [gedaagde] heeft hierop geantwoord op 18 mei 2026 waarbij hij een tegenvordering heeft ingesteld.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 19 mei 2026. [eiseres] is verschenen vergezeld met haar meerderjarige zoon [naam] en zijn vriendin, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen vergezeld door zijn broer en een vriend, bijgestaan door mr. A. Azauiyat als vervanger van de gemachtigde. [eiseres] heeft ter zitting aanvullende producties – die eerder waren gezonden maar (nog) niet door de kantonrechter waren ontvangen - overgelegd die aan het dossier zijn gevoegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [eiseres] mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die aan het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De uitgangspunten

2.1.
[gedaagde] en [eiseres] hebben een affectieve relatie (gehad).
2.2.
Met ingang van 14 januari 2025 hebben partijen gezamenlijk met de woningstichting Eigen Haard een huurovereenkomst voor de woning aan het [adres 1] (hierna: de woning) gesloten. Daarvoor woonden zijn samen in de huurwoning van [gedaagde] , gelegen aan de [adres 2] . Vanwege de sloop van die huurwoning en de lange woonduur van [gedaagde] hebben partijen de woning gezamenlijk toegewezen gekregen.
2.3.
De woning betreft een gezinswoning met drie slaapkamers en de maandelijkse aanvangshuurprijs bedroeg € 1.050,00.
2.4.
[eiseres] heeft een minderjarige zoon [naam] , geboren op [geboortedatum] 2010, die bij partijen inwoont.
2.5.
Op 16 november 2022 heeft de kantonrechter is een eerdere kort geding procedure tussen partijen geoordeeld dat [eiseres] de huurwoning van [gedaagde] van destijds moest verlaten binnen vier maanden na betekening van dat vonnis. [eiseres] heeft hieraan geen gehoor gegeven en partijen hebben in de oude huurwoning van [gedaagde] tot aan de verhuizing naar de woning samengewoond. De affectieve relatie werd (in enige vorm) voortgezet.
2.6.
De affectieve relatie van partijen is (nogmaals) geëindigd.
2.7.
Op 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] per brief het exclusieve gebruik van de woning gevorderd en [gedaagde] gesommeerd om binnen zeven dagen de woning te verlaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat:
  • [eiseres] , met uitsluiting van [gedaagde] , gerechtigd is tot het voorlopig genot en gebruik van de woning en de inboedel, [gedaagde] te veroordelen de woning uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis met al de zijnen te verlaten c.q. ontruimen en ontruimd te houden, een en ander onder afgifte van alle in zijn bezit zijnde sleutels van de woning ter vrije beschikking aan [eiseres] , en te bepalen dat [gedaagde] de woning zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van [eiseres] niet mag betreden,
  • te bepalen dat [gedaagde] zich binnen twee weken na betekening van dit vonnis uit dient te schrijven van het adres van de woning in de BRP,
  • [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde] vordert in reconventie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat:
  • [gedaagde] , met uitsluiting van [eiseres] , gerechtigd is tot het voorlopig genot en gebruik van de woning en de inboedel, [eiseres] te veroordelen de woning uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis met al de zijnen te verlaten c.q. ontruimen en ontruimd te houden, een en ander onder afgifte van alle in zijn bezit zijnde sleutels van de woning ter vrije beschikking aan [gedaagde] en te bepalen dat [eiseres] de woning zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van [gedaagde] niet mag betreden,
  • te bepalen dat [eiseres] zich binnen twee weken na betekening van dit vonnis uit dient te schrijven van het adres van de woning in de BRP,
  • [eiseres] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
Subsidiair vordert [gedaagde] indien de vorderingen van [eiseres] worden toegewezen een ontruimingstermijn van zes maanden.
3.3.
Partijen leggen ieder – kort gezegd – aan hun vorderingen ten grondslag dat de een meer belang heeft bij exclusief gebruik van de woning dan de ander. Op de vorderingen en verweren van partijen wordt, voor zover nodig, hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vanwege de verwevenheid van de vorderingen in conventie en reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk worden beoordelen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Toekenning exclusief huurrecht
4.3.
Partijen zijn op grond van de met verhuurder Eigen Haard gesloten huurovereenkomst beiden contractueel hoofdhuurder van de woning. Zij kunnen dan ook allebei op gelijke wijze gebruik maken van de woning. Daarbij zijn zij op grond van de huurovereenkomst gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen tegenover verhuurder Eigen Haard.
4.4.
Op grond van artikel 7:267 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een (mede)huurder in een bodemprocedure vorderen dat de kantonrechter zal bepalen dat de huur van de andere (mede)huurder niet langer wordt voortgezet. Deze vordering wordt alleen toegewezen, als dit naar billijkheid, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, geboden is. In deze procedure in kort geding kan de kantonrechter geen definitieve beslissing nemen over de toedeling van het huurrecht van de woning aan een van de partijen. De vorderingen van partijen kunnen enkel leiden tot een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing in een nog te starten bodemprocedure.
4.5.
Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Daarbij moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering door de kantonrechter in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Dat zal moeten gebeuren in een bodemprocedure.
4.6.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat zij, met uitsluiting van de ander, belang hebben om in de woning te blijven wonen. Bij de vraag wie met uitsluiting van de ander voorlopig in de woning zal mogen blijven, gaat het om een belangenafweging. Bij deze belangafweging moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd.
4.7.
Het standpunt van [eiseres] strekt ertoe dat zij meer belang heeft bij de woning omdat zij met haar twee meerderjarige zoons en één minderjarige zoon samen woont. Zij kan niet bij haar familie in [plaats 1] verblijven omdat haar jongste zoon naar school gaat in [plaats 2] . Daarbij heeft zij weinig mogelijkheden voor een alternatieve woning omdat zij pas zes jaar in Nederland verblijft, pas sinds kort genaturaliseerd is, en een korte inschrijfduur heeft bij Woningnet. Ook de grote van de gezinswoning maakt dat deze aan haar moet worden toegewezen.
4.8.
[gedaagde] stelt dat hij is aangewezen op de woning vanwege zijn leeftijd en zijn medische klachten. Daarbij is hij afhankelijk van ondersteuning in de woning en zijn dochter kan deze ondersteuning bieden door (weer) bij hem in de woning te komen wonen. Hij heeft door de verhuizing naar de huidige woning onvoldoende punten bij Woningnet om in aanmerking te komen voor alternatieve woonruimte. Dat hij familie in [plaats 2] heeft maakt niet dat hij daar terecht kan.
4.9.
De door partijen gestelde omstandigheden, in samenhang bezien en tegen elkaar afwegend, is de kantonrechter voorhands van oordeel dat geen van partijen een zwaarder wegend belang heeft bij de tijdelijke toewijzing van de huurwoning. Daarom zal de vordering van [eiseres] en de tegenvordering van [gedaagde] worden afgewezen. Redengevend daartoe is het volgende.
4.10.
Van belang is dat partijen tot 13 januari 2025 in de huurwoning van [gedaagde] samenwoonden. Vanwege de sloop van deze huurwoning hebben partijen een nieuwe woning toegewezen gekregen. Voor de toewijzing van de woning is gekeken naar de (gezins)samenstelling en de woonduur van [gedaagde] . Het is voldoende aannemelijk geworden dat zowel [gedaagde] als [eiseres] niet voor de huidige woning in aanmerking zouden zijn gekomen als zij niet samen vervangende woonruimte nodig hadden. De woonduur van [eiseres] was te kort (en ze was nog niet genaturaliseerd) en de woning is te groot voor [gedaagde] alleen. De stelling van [gedaagde] dat het slechts zou gaan om een tijdelijke situatie totdat [eiseres] een andere woning had gevonden omdat er sinds 2022 geen sprake is van een affectieve relatie, staat haaks op het (formele) mede-huurderschap van [eiseres] en de aanvaarding van deze grote woning.
4.11.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft geen van partijen een voldoende doorslaggevend belang bij de toekenning van het exclusieve gebruiksrecht van de woning. Beide partijen hebben dan ook juridisch als feitelijk tenminste evenveel recht op en belang bij de woning; beiden hadden zonder de ander nooit deze woning toegewezen gekregen. Met het afwijzen van de vorderingen in conventie als reconventie blijft de huidige juridische situatie gehandhaafd. Dit betekent dat beide partijen gerechtigd zijn om de woning te gebruiken. Hierbij betrekt de kantonrechter ook dat is gebleken dat partijen al maanden (danwel jaren) in deze woonsituatie leven maar dat niet is gebleken dat er thans sprake is van een (acute) onhoudbare of onveilige situatie voor [gedaagde] of voor [eiseres] en haar minderjarige zoon. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] maakt de verklaring van de praktijkondersteuner die door [eiseres] is overgelegd dat nader onderzoek nodig is naar deze stelling en binnen het bestek van dit kort geding is nadere bewijslevering niet aan de orde. Evenmin volgt een onhoudbare situatie uit de verzuimbrief van [naam school] , de school van de minderjarige zoon van [eiseres] .
Ten overvloede
4.12.
De kantonrechter realiseert zich dat deze uitkomst niet ideaal is. Tot dat er voor één van partijen alternatieve huisvestiging is gevonden, zullen partijen in goed overleg tot leefbare afspraken moeten (kunnen) komen voor het gebruik van de woning. Zo kan [gedaagde] bijvoorbeeld één kamer bewonen zonder de opslag van spullen van [eiseres] , zodat hij de kamer desgewenst kan afsluiten. [eiseres] kan haar spullen opslaan in de overige twee slaapkamers en deze ook desnoods met een slot afsluiten. Echter deze afspraken kan de kantonrechter niet aan partijen opleggen. Zij zullen, met eventuele bijstand van de gemachtigden, tot deze afspraken onderling moeten komen.
Proceskosten
4.13.
Vanwege de affectieve relatie die partijen hebben gehad en gelet op de uitkomst van deze procedure, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
61291.MVU