ECLI:NL:RBAMS:2026:7073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
26-003486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2.4 SvArt. 5.1.10 SvArt. 13 ERVArt. 10 Tweede Aanvullend Protocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering verlof definitieve terbeschikkingstelling stukken aan buitenlandse autoriteiten

De officier van justitie verzocht de rechtbank om verlof te verlenen voor de definitieve terbeschikkingstelling van processen-verbaal en bijlagen aan Finse en Duitse autoriteiten in het kader van een gemeenschappelijk onderzoeksteam. De vordering betrof uitsluitend stukken die met strafvorderlijke bevoegdheid in Nederland waren vergaard.

De rechtbank heeft in besloten raadkamer zowel de officieren van justitie als de raadsman van de betrokkene gehoord. De officieren stelden zich primair op het standpunt van niet-ontvankelijkheid, verwijzend naar de cumulatieve eisen van artikel 5.1.10 Sv die in dit geval niet zijn vervuld. De raadsman betoogde dat rechterlijk verlof vereist is voor alle stukken die met strafvorderlijke bevoegdheid zijn vergaard, gebaseerd op de wetstekst en het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp.

De rechtbank oordeelde dat de vordering uitsluitend betrekking had op stukken die niet onder de categorieën van artikel 5.1.10, derde lid, Sv vallen. Uit de wetsgeschiedenis en memorie van toelichting volgt dat de verlofprocedure alleen geldt voor die gevallen. Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot verlof voor definitieve terbeschikkingstelling van stukken aan buitenlandse autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 81-323024-22
RK-nummer: 26-003486
BESCHIKKING
op de vordering ex artikel 5.2.4, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) d.d. 15 januari 2026 van de officier van justitie van het Functioneel Parket. Deze vordering strekt tot het verlenen van verlof om stukken over te dragen aan de Finse en Duitse autoriteiten, opgemaakt in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zoals omschreven in de JIT-overeenkomst van 2 februari 2023 in de zaak tegen (onder meer):
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Procesgang

De rechtbank heeft op 16 juni 2026 de gemachtigd raadsman van de betrokkene, mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat te Amsterdam, en de officieren van justitie, mrs. M. Lambregts en S. Leeman, in besloten raadkamer gehoord.

2.Ontvankelijkheid

Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Onder verwijzing naar wat er in Tekst & Commentaar is opgenomen bij artikel 5.2.4 Sv, dient aangesloten te worden bij de regels van art. 5.1.10 Sv. Ingevolge de laatstgenoemde bepaling is een verlofprocedure aangewezen indien aan drie cumulatieve eisen is voldaan; die eisen gaan in dit geval niet op. De vordering ziet immers uitsluitend op de processen-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene] en de daarbij gevoegde bijlagen: V-004-01, V-004-02, V-004-03, V-004-04, V-004-05, V-004-06 en JIT-V-004-01.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 5.2.4 Sv rechterlijk verlof vereist voor definitieve terbeschikkingstelling van alle stukken die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam. Dit volgt uit de tekst van de wet, maar ook uit artikel 13, tiende lid van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp (ERV) (en artikel 10 Tweede Pro Aanvullend Protocol) dat immers voor gebruik 'toestemming' van de betrokken lidstaat vereist. Bovendien is bij de toenmalige totstandkoming van de herziening van regels van rechtshulp door de wetgever bewust niet ervoor gekozen dit aan te passen. Er is dus geen reden om aan te nemen dat verlof niet nodig zou zijn, of dat sprake zou zijn van cumulatieve vereisten alvorens verlof nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de officieren van justitie is gebaseerd op artikel 5.2.4 Sv, dat, voor zover hier relevant, als volgt luidt:
1. Stukken, voorwerpen en gegevens die in Nederland zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in artikel 5.2.1, dat buiten Nederland is gevestigd, kunnen onmiddellijk voorlopig ter beschikking worden gesteld van het onderzoeksteam.
2. (…)
3. De officier van justitie kan de stukken, voorwerpen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, definitief ter beschikking stellen van het gemeenschappelijk onderzoeksteam dat in het buitenland is gevestigd, voor zover en indien van toepassing, de rechtbank daartoe verlof heeft verleend.
Het derde lid van het artikel bepaalt dat de verlofprocedure alleen
indien van toepassingdient te worden gevolgd, zonder dat wordt geëxpliciteerd wanneer daarvan sprake is. Uit de memorie van toelichting bij artikel 552qd Sv (oud), de voorloper van het huidige artikel 5.2.4 Sv, volgt dat de verlofprocedure als bedoeld in het derde lid van dat artikel het verlenen van verlof door de rechtbank betreft
“zoals dit al gebruikelijk is voor stukken van overtuiging en gegevensdragers die ter uitvoering van een rechtshulpverzoek in beslag genomen werden dan wel anderszins zijn vergaard.” [1] De verlofprocedures voor de overdracht van stukken ter uitvoering van een rechtshulpverzoek en voor de definitieve terbeschikkingstelling van stukken aan een ander lid van een gemeenschappelijk onderzoeksteam kwamen dus naar oud recht overeen.
Weliswaar is de verlofprocedure voor de overdracht van stukken ter uitvoering van een rechtshulpverzoek per 1 juli 2018 gewijzigd met de invoering van artikel 5.1.10 Sv [2] , maar uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat de wetgever toen voor het verlof als bedoeld in artikel 5.2.4, derde lid, Sv, dat op dezelfde datum in werking is getreden, een afwijkende procedure heeft beoogd. Ook in de toelichting bij het toekomstige artikel 8.3.4 in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dat een omzetting betreft van het huidige artikel 5.2.4 Sv, wordt uitgegaan van gelijke verlofprocedures bij definitieve terbeschikkingstelling van binnen een gemeenschappelijk onderzoeksteam vergaarde stukken en overdracht van stukken ter uitvoering van een rechtshulpverzoek. [3] Daaruit kan worden afgeleid dat met de woorden
indien van toepassingin artikel 5.2.4, derde lid, Sv wordt verwezen naar de gevallen waarvoor op grond van artikel 5.1.10, derde lid, Sv verlof is vereist. [4]
De rechtbank stelt vast dat het in de onderhavige procedure niet gaat om stukken zoals bedoeld in artikel 5.1.10, derde lid, Sv. De rechtbank zal de officieren van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 5.2.4, derde lid, Sv.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.MvT,
2.Stb. 2017, 246.
3.MvT,
4.Zie in die zin ook Van Rookhuizen, in: T&C Strafvordering, art. 5.2.4 Sv, aant. 3. (online, 1 maart 2026)