Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 17 december 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord van 2 januari 2026,
- het tussenvonnis van 16 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald.
Rechtbank Amsterdam
De verhuurder heeft zich tot de kantonrechter gewend tegen de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie over de aanvangshuurprijs van een woning. De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder tijdig in verzet is gekomen, maar dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv, omdat de eis en de gronden niet duidelijk zijn vermeld.
De gedaagde heeft aangevoerd dat zij niet weet waartegen zij zich moet verweren, omdat de dagvaarding geen concrete grondslag bevat en geen stukken zijn ingediend ter onderbouwing. De kantonrechter sluit zich hierbij aan en verklaart de verhuurder niet-ontvankelijk. Het late indienen van stukken tijdens de zitting wordt niet toegestaan.
Als gevolg blijft de uitspraak van de huurcommissie in stand. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde, die begroot zijn op €506,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 19 mei 2026 gewezen door kantonrechter I.M. Bilderbeek.
Uitkomst: Verhuurder wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en de uitspraak van de huurcommissie blijft in stand.