ECLI:NL:RBAMS:2026:7010

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
1309101726
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer over onvoldoende feitomschrijving

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 juli 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Saarbrücken Local Court. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij het huren van auto's met valse kentekenregistraties, strafbaar gesteld als oplichting volgens Duits recht.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende feitelijke onderbouwing bevatte en dat de terugkeergarantie niet bindend was omdat deze niet onvoorwaardelijk was geformuleerd. De officier van justitie stelde dat de feitomschrijving voldoende was en dat de terugkeergarantie voldeed aan de vereisten.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de strafbare feiten en dat de verdachte voldoende kon begrijpen waarvoor hij werd overgeleverd. De rechtbank wees het verweer af dat de feiten niet strafbaar zouden zijn onder Nederlands recht, omdat het EAB een lijstfeit betrof waarvoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden getoetst.

Ten aanzien van de terugkeergarantie stelde de rechtbank vast dat deze, mede gelet op de verwijzing naar het relevante Kaderbesluit, voldoende zekerheid bood dat de verdachte na veroordeling zijn straf in Nederland kan ondergaan. De rechtbank wees het primaire en subsidiaire verweer af en stond de overlevering toe.

Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-091017-26
Datum uitspraak: 9 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2026 door
the Saarbrücken Local Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. A.A.W. den Ouden, advocaat in Oisterwijk.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
Warrant of arrest for detention pending trialuitgevaardigd door
the Saarbrücken Local Courtop 2 februari 2026
,met referentie:
7 Gs 81 Js 1561/24 (4453/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is. De drie feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht slechts globaal zijn omschreven. Daarbij is het gedrag dat is beschreven levert mogelijk een civielrechtelijk probleem op, maar is niet strafbaar. Het gaat namelijk om het huren van auto’s onder de eigen naam. De overlevering moet worden afgewezen, omdat de feitsomschrijving een ontoereikende onderbouwing biedt voor het overleveringsverzoek.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de feitsomschrijving genoegzaam is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een verzoek tot overlevering in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Volgens die omschrijving gaat het namelijk om een verdenking van betrokkenheid bij het drie keer huren van een auto om die vervolgens te voorzien van een valse kentekenregistratie door medeverdachten te laten doorverkopen onder de valse aanname dat zij daartoe gerechtigd waren, op 2 november 2024 in Saarbrücken, op 5 december 2024 in Osnabrück en op 10 januari 2025 in Völklingen. In de laatste twee gevallen gaat het om een poging daartoe, nu de verkoop niet door is gegaan. De opgeëiste persoon is als dader aangemerkt. Gelet op het voorgaande is duidelijk van welke (strafbare) feiten hij wordt verdacht. Ten aanzien van wat de raadsman verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is namelijk niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet had kunnen komen tot het aankruisen van het lijstfeit “oplichting”, omdat de feitsomschrijving niet voldoet aan de bestanddelen van het Nederlandse wetsartikel voor oplichting. De opgeëiste persoon had de auto’s namelijk op zijn eigen naam gehuurd. Daarom zijn de feiten niet strafbaar naar Nederlands recht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is om een lijstfeit aan te kruisen, hetgeen in redelijkheid is geschied.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4]
Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank – mede in het licht van hetgeen onder 3 is overwogen – geen aanleiding om hiervan af te wijken. De feiten waarvoor de overlevering worden verzocht, vallen dan ook onder het lijstfeit “oplichting”.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de terugkeergarantie niet voldoet omdat deze te vrijblijvend is geformuleerd. Daarnaast ontbreekt de term ‘onvoorwaardelijk’ in de tekst van de terugkeergarantie en ook ontbreekt de verwijzing naar het Kaderbesluit. Daarom biedt de terugkeergarantie geen zekerheid en is deze niet bindend. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om een onvoorwaardelijke terugkeergarantie op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugkeergarantie volstaat. De terugkeergarantie houdt geen verplichting in om terug te keren, vandaar dat hetgeen nu is geformuleerd door de Duitse autoriteiten, voldoende is. Daarnaast bevat de vraagstelling van het IRC om een terugkeergarantie (van 28 april 2026) een verwijzing naar het Kaderbesluit.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [5]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum heeft in dit kader bij e-mailbericht van 28 april 2026 de volgende vraag gesteld:
With reference to the European Arrest Warrant issued by Judge Jochem of the Am[t]sgericht Saarbrücken, on 11/02/2026 (ref. no. 7 Gs 81 Js 1561/24 (4453/25)), issued against [de opgeëiste persoon]
, born on [geboortedag] /2003 in [geboorteplaats] (the Netherlands), I would like to request additional information.
The requested person is a Dutch national. As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA), and article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender Act, the surrender may only be authorized after it can be guaranteed that, in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence inGermany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ). We kindly request this return guarantee.
De
Chief Prosecutorvan het openbaar ministerie (
Staatsanwaltschaft) in Saarbrücken heeft bij e-mailbericht 28 april 2026 de volgende garantie gegeven:
I hereby guarantee on behalf of the Saarbrücken Public Prosecutor's Office, which is responsible for the subsequent execution of the sentences against the defendant [de opgeëiste persoon] , that the defendant [de opgeëiste persoon] will be allowed to serve his sentence in the Netherlands after the final conclusion of the proceedings.
The execution of the sentence in the Netherlands is approved.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie - in samenhang gelezen met de vraagstelling waarin wordt verwezen naar de relevante Kaderbesluiten - voldoende. De rechtbank verwerpt daarom het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Saarbrücken Local Court(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (