ECLI:NL:RBAMS:2026:7006

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
1309959326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SrArt. 157 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse staatsburger op grond van Europees aanhoudingsbevel Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 juli 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit tegen een Nederlandse staatsburger geboren in 2002. De opgeëiste persoon werd verdacht van het wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal en het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing met gevaar voor goederen.

Tijdens de zitting op 25 juni 2026 verscheen de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en schorste de gevangenhouding tot uitspraak. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat het strafbare feit ook onder Nederlands recht strafbaar is.

De opgeëiste persoon beriep zich op de terugkeergarantie van artikel 6 OLW Pro, omdat hij sterke banden met Nederland heeft en zijn maatschappelijke re-integratie daar beter kan plaatsvinden. De Duitse autoriteit gaf op 15 mei 2026 de garantie dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgevoerd.

De rechtbank achtte deze garantie voldoende en concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse staatsburger aan Duitsland toe onder de garantie dat de straf in Nederland kan worden uitgevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-099593-26
Datum uitspraak: 9 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 1 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 maart 2026 door het
Ambtsgericht Keulen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Angola),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Zevenboom, advocaat in Amsterdam. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van 13 maart 2026 van het
Ambtsgericht Keulen,met kenmerk
502 Gs 566/26.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringenen
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De leidinggevende hoofdofficier van justitie te Keulen heeft op 15 mei 2026 de volgende garantie gegeven:
Betreffende uw e-mail van 15 mei 2026 kan ik u de navolgende garantie verstrekken met betrekking tot de verzochte uitlevering van de Nederlandse staatsburger [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , Angola.
Er wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon, in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, op grond van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan in de Europese Unie (PbEU L 327 van 5 december 2008, p. 27), voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden overgebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 138 en 157 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Ambtsgericht Keulen(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (