ECLI:NL:RBAMS:2026:7002

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
13-201910-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen poging moord en verboden wapenbezit na schietincident

Op 17 maart 2025 vond een schietincident plaats waarbij met een automatisch vuurwapen op een woning werd geschoten. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van poging tot moord, poging tot zware mishandeling, bedreiging en het voorhanden hebben van het vuurwapen. Het Openbaar Ministerie baseerde haar vordering op DNA-sporen op hulzen, telefoononderzoek en informatie van het Team Criminele Inlichtingen.

Tijdens de terechtzitting op 2 juni 2026 ontkende verdachte betrokkenheid en gaf hij wisselende verklaringen over de gevonden zoekopdrachten op zijn telefoon en het DNA-spoor. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte als schutter aan te merken. Het onvolledige DNA-profiel en algemene zoekopdrachten waren niet overtuigend genoeg om zijn aanwezigheid op de plaats delict vast te stellen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens wees zij de schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen af wegens de vrijspraak. Een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie werd eveneens afgewezen omdat verdachte zich niet schuldig had gemaakt aan strafbare feiten binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen poging tot moord en verboden wapenbezit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/201910-25
Parketnummer vordering tul: 13/108263-23
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de ter terechtzitting ingediende vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3].

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 17 maart 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
Het medeplegen van een poging tot moord, dan wel poging tot doodslag, ten aanzien van de bewoners en/of aanwezigen in de woning aan de [adres 2], door meermaals met een automatisch vuurwapen op de woning te schieten.
Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 2:
Het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vrijspraak

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en stelt zich op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord. De tenlastegelegde feiten kunnen bewezen worden, omdat het DNA van verdachte op één van de gevonden hulzen is aangetroffen, er informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is die verdachte linkt aan het schietincident en uit de historische gegevens van zijn telefoon blijkt dat hij na het schietincident verschillende zoekslagen heeft gemaakt die in verband staan met het schieten op een woning. Daarnaast is redengevend dat de telefoon van verdachte een aantal uur niet naar een zendmast heeft uitgestraald en dat precies binnen dit tijdsbestek de schietpartij heeft plaatsgevonden. Tegenover deze bewijsmiddelen heeft verdachte een beperkte en niet verifieerbare verklaring afgelegd en om die reden kan het niet anders dan dat verdachte de schutter is geweest.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de schutter was of anderszins betrokken is geweest bij het schietincident.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feit 1
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank van het volgende uit.
Op 17 maart 2025 heeft rond 21.30 uur een schietincident plaatsgevonden op de [adres 3]. Aangeefster, haar man en hun twee dochters waren op dat moment thuis. Uit forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat er ten minste 30 kogels zijn afgevuurd op de voordeur, waarvan er 16 zijn doorgeschoten in de woning. Op twee hulzen is een onvolledig DNA-profiel gevonden van minimaal één man. Met betrekking tot het DNA-profiel op één huls wordt gesteld dat het extreem veel waarschijnlijker is dat de bemonstering het DNA van verdachte bevat dan van een onbekend persoon.
Via TCI is informatie binnengekomen dat een bewoner van de woning waarop is geschoten een conflict zou hebben met rapper [naam rapper]. Verdachte, bij wie recent ook een explosie is geweest, zou een van de loopjongens zijn van [naam rapper]. Verdachte is mede daarom als verdachte aangemerkt en er is onderzoek aan zijn telefoon verricht. Uit het onderzoek aan zijn telefoon is gebleken dat verdachte zoekopdrachten heeft uitgevoerd naar vragen als: “wat is de straf voor het schieten met een vuurwapen op een woning in Nederland?”. Ook zijn er foto’s van vuurwapens op zijn telefoon aangetroffen. Daarnaast blijkt uit de historische verkeersgegevens van zijn telefoon dat zijn telefoon op de dag van het schietincident om 19:54 uur heeft aangestraald in Zeewolde en vervolgens pas weer om 23:14 uur heeft aangestraald in Amsterdam. In de tussentijd zijn er geen andere registraties van zijn telefoon bekend. Buurtonderzoeken en camerabeelden hebben geen andere informatie opgeleverd, dan dat er een schutter is geweest en dat hij (samen met iemand) is gevlucht richting de A10.
Verdachte heeft betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten ontkend. Hij heeft verklaard dat hij de schutter niet kan zijn geweest, omdat hij in Zeewolde was om een automonteur weg te brengen. Wie deze automonteur was en waar hij hem naar toe heeft gebracht wist verdachte niet te beantwoorden. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij ooit in een box munitie heeft aangeraakt, wat volgens hem verklarend zou kunnen zijn voor het feit dat zijn DNA op één van de hulzen is aangetroffen. Over de zoekopdrachten op zijn telefoon heeft verdachte wisselend verklaard. Hij of iemand van zijn vrienden zou de zoekopdrachten kunnen hebben gedaan uit interesse naar het antwoord. Tot slot heeft verdachte bevestigd dat hij en rapper [naam rapper] vrienden zijn, maar dat hij niet een loopjongen van [naam rapper] is.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de genoemde omstandigheden onvoldoende redengevend zijn om het tenlastegelegde onder feit 1 bewezen te verklaren. Hoewel er meerdere aanwijzingen in het dossier te vinden zijn die wijzen op een mogelijke betrokkenheid van verdachte bij het schietincident, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de schutter is geweest. Één (onvolledig) DNA-profiel van verdachte op één van de aangetroffen hulzen is onvoldoende om verdachte op de plaats delict te plaatsen. Daarnaast zijn de gevonden zoekopdrachten in zijn telefoon te algemeen om gelinkt te kunnen worden aan onderhavig schietincident. Anders dan de rechtbank in andere zaken geregeld ziet is er niet gericht gezocht naar het incident waarvan verdachte wordt verdacht. Bovendien is het op basis van het dossier onduidelijk wanneer deze zoekopdrachten zijn verricht. In ieder geval zijn de zoekopdrachten niet kort na het incident uitgezet.
Ondanks dat de rechtbank met de officier van justitie van oordeel is dat verdachte een beperkte en niet op alle punten geloofwaardige verklaring heeft afgelegd, kan de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde niet op basis van het dossier vaststellen. Het is al met al niet voldoende om verdachte als schutter aan te kunnen merken, terwijl er ook geen bewijsmiddelen voorhanden zijn voor een andere betrokkenheid van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarom van het tenlastegelegde onder feit 1 vrijspreken.
3.3.2.
Feit 2
Gelet op de samenhang tussen het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2, namelijk dat het wapen waarmee geschoten is ten laste is gelegd als het verboden bezit daarvan onder feit 2, zal verdachte ook voor feit 2 worden vrijgesproken, omdat de betrokkenheid van verdachte bij het schietincident niet vast is komen te staan.

4.De vorderingen benadeelde partij

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1], heeft ter terechtzitting € 5.260,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 260,- aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade. Zij heeft tevens als wettelijke vertegenwoordiger namens haar dochters [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarin zij namens hen beide heeft verzocht om € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
[benadeelde partij 1] heeft de vorderingen tot schadevergoeding ter terechtzitting mondeling toegelicht. Voor de toelichting heeft zij verwezen naar haar verklaring en het aanvullingenblad die aan de vorderingen zit gehecht.
Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde onder feit 1 waaruit de schade voor de benadeelden is ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren.
De benadeelde partijen en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.Tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken zit de op 30 april 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de opgelegde voorwaardelijke 91 dagen jeugddetentie van het vonnis van 17 december 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-108263-23 alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
Zoals naar voren komt uit de inhoud van dit vonnis is niet gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel te gelasten en zal de vordering afwijzen.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en
spreektverdachte daarvan
vrij.
Verklaart [benadeelde partij 1]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Verklaart [benadeelde partij 2]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Verklaart [benadeelde partij 3]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijstde vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/108263-23
af.Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mr. R. van de Water en mr. D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek en mr. M.H.G. Brinkman griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026
[...]