ECLI:NL:RBAMS:2026:7000

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
11768019 CVF 25-8900
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim wegens buitengewone omstandigheid bij vluchtvertraging

De passagiers hadden een vlucht geboekt die op 10 oktober 2023 werd geannuleerd, waarna zij met meer dan drie uur vertraging op hun eindbestemming aankwamen. AirHelp, gemachtigde van de passagiers, vorderde compensatie op grond van Verordening 261/2004.

De vervoerder stelde dat de vertraging werd veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid, namelijk een groot gat in een vleugel door een onbekend van buiten komend object (FOD). AirHelp betoogde dat sprake was van panne, een inherent defect, en dus geen buitengewone omstandigheid.

De rechtbank oordeelde dat de schade aan de vleugel een vliegveiligheidsprobleem vormde en dat de vervoerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vertraging niet te voorkomen was, ook niet met inzet van alle middelen. De passagiers waren omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht, wat een redelijke maatregel was.

Daarom werd de vordering van AirHelp afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter A.J. Wesdorp op 28 mei 2026.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wordt afgewezen wegens een buitengewone omstandigheid veroorzaakt door schade aan de vleugel door een foreign object damage.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11768019 CV EXPL 25-8900
vonnis van: 28 mei 2026
fno.: 94

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

AirHelp Germany GmbH

gevestigd te Berlijn
eiseres
nader te noemen: AirHelp
gemachtigde: Lof Legal Services
t e g e n

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen
gedaagde
nader te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 juni 2025, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek;
  • de dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[passagier 1] en [passagier 2] (verder: de passagiers) hebben bij de vervoerder een vlucht geboekt van [vlucht] uit te voeren door de vervoerder op 10 oktober 2023.
1.2.
De vlucht is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt en meer dan drie uur later op hun eindbestemming aangekomen.
1.3.
De passagiers hebben hun vordering gecedeerd aan AirHelp.
1.4.
De gemachtigde van AirHelp heeft namens de passagiers bij de vervoerder geklaagd over de vertraging en op grond van Verordening 261/2004 aanspraak gemaakt op compensatie ten bedrage van € 600,00 per persoon.

Vordering en verweer

2. Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 1.200,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van
de vlucht tot aan de dag van betaling;
b. 15% aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. de proceskosten.
3. AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Zij stelt dat de passagiers door de vertraagde aankomst op hun eindbestemming aanspraak hebben op € 1.200,00 in totaal.
4. De vervoerder voert aan dat er sprake is van een buitengewone omstandigheid.

Beoordeling

5. Tussen partijen staat vast dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
6. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat tijdens de preflight check is geconstateerd dat sprake was van een groot gat in een van de vleugels. De vervoerder heeft een foto van de schade overgelegd. Deze schade is volgens haar waarschijnlijk veroorzaakt doordat het toestel is getroffen door een onbekend van buiten komend object, de zogenaamde “foreign object damage”, hierna ook: FOD. Gezien de locatie van de schade kon deze volgens haar duidelijk niet zijn veroorzaakt door “ground equipment”.
7. Volgens Airhelp is er sprake van een panne. Het defect aan de vliegtuigvleugel is inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en derhalve niet buitengewoon.
8. De vervoerder heeft betwist dat er sprake was van “panne”. In het spraakgebruik betekent dit volgens haar dat er sprake is van een gebrek aan de motor waarvan in deze zaak geen sprake is.
9. Dat er sprake is van panne en wat dat precies inhoudt heeft AirHelp onvoldoende onderbouwd, zodat met dit standpunt verder geen rekening wordt gehouden. Gelet op foto en de toelichting van de vervoerder acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat andere oorzaken dan het zijn getroffen door een FOD van de betreffende schade zijn uitgesloten. De FOD betreft een (als gevolg van een van buitenkomende oorzaak ontstaan) vliegveiligheidsprobleem als bedoeld in de Verordening. Het vliegtuig kon immers vanwege de vliegveiligheidscontrole en daarop volgende noodzakelijke reparatie(s) haar weg niet vervolgen. De vervoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de vertraging op de eindbestemming zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen niet had kunnen vermijden. Onbetwist is gebleven dat de passagiers zijn omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht. Dit vormt naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke maatregel. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer of anders had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat de vertraging in veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. De vordering van Airhelp worden daarom afgewezen.
10. De proceskosten komen voor rekening van Airhelp omdat zij ongelijk krijgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
wijst de vorderingen van Airhelp af;
veroordeelt Airhelp in de proceskosten, aan de zijde van de vervoerder tot op heden begroot op € 434,00 aan salaris gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde btw;
veroordeelt de passagier tot betaling van een bedrag van € 19,00 aan nasalaris, voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. A.J. Wesdorp, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.