Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:69

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25/2283
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 WAZOArt. 6 ZiektewetArt. 2 Richtlijn 2019/1158Art. 8 WAZO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag betaald ouderschapsverlof wegens geen arbeid tijdens onbetaald verlof

Eiseres was van april 2019 tot oktober 2024 in dienst bij een werkgever en heeft vanaf november 2023 tot het einde van haar dienstverband onbetaald verlof genoten. Zij vroeg een uitkering voor betaald ouderschapsverlof aan met ingang van juni 2024. Het UWV wees deze aanvraag af omdat zij niet verzekerd was voor de Ziektewet, aangezien zij geen arbeid verrichtte tijdens het onbetaald verlof.

Eiseres stelde dat op haar de uitzonderingsgrond van artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO van toepassing was, die ook werknemers zonder dienstbetrekking recht geeft op betaald ouderschapsverlof. De rechtbank oordeelde echter dat deze uitzondering alleen geldt voor werknemers die daadwerkelijk arbeid verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst, wat bij eiseres niet het geval was.

De rechtbank benadrukte dat betaald ouderschapsverlof bedoeld is om werknemers te ondersteunen bij het combineren van werk en zorg, en dat het toekennen van deze uitkering aan werknemers die onbetaald verlof genieten niet strookt met de doelstelling van de wet en de Europese richtlijn 2019/1158. Ondanks het begrip voor de situatie van eiseres, werd het beroep ongegrond verklaard en werd zij niet in het gelijk gesteld.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres tijdens de aanvraagperiode geen arbeid verrichtte en daardoor geen recht heeft op betaald ouderschapsverlof.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering voor betaald ouderschapsverlof. Eiseres is het hier niet mee eens en is van mening dat op haar een uitzonderingsgrondslag in de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) van toepassing is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de uitkering voor betaald ouderschapsverlof terecht heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres genoemde uitzonderingsgrondslag niet op haar van toepassing is, omdat zij geen arbeid verrichtte. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De voor dit oordeel van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres was van 1 april 2019 tot 24 oktober 2024 in dienst van [bedrijf] (de ex-werkgever). Van 1 november 2023 tot het einde van het dienstverband heeft eiseres onbetaald verlof gehad. Eiseres is in maart 2024 bevallen. Op 25 oktober 2024 heeft de
ex-werkgever van eiseres voor eiseres een uitkering voor betaald ouderschapsverlof aangevraagd, met ingang van 20 juni 2024, op grond van de WAZO. Met het besluit van 28 oktober 2024 heeft het UWV beslist dat eiseres geen recht heeft op de WAZO-uitkering, omdat zij niet verzekerd was voor de Ziektewet.
2.1.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV daarbij gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

3. Alleen de werknemer die in een dienstbetrekking staat kan recht hebben op een uitkering voor betaald ouderschapsverlof. Dit betekent dat alleen de werknemer met een werkgever recht kan hebben op een uitkering voor betaald ouderschapsverlof. Deze werknemer is verplicht verzekerd voor de Ziektewet. Artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO, biedt hierop een uitzonderingsmogelijkheid.
3.1.
Het UWV heeft de uitkering voor betaald ouderschapsverlof geweigerd omdat op grond van de Ziektewet geen dienstbetrekking aanwezig geacht wordt. De reden hiervoor is dat er in het geval van eiseres sprake is van onbetaald verlof over de periode van
1 november 2023 tot en met 31 oktober 2024. Per 20 juni 2024 is eiseres daarom niet verzekerd voor de Ziektewet. Volgens het UWV ziet artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO, niet op de situatie van eiseres. Dit wetsartikel ziet alleen op werknemers die wel arbeid verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst en waarvan die arbeidsverhouding op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Uit de memorie van toelichting bij de WAZO (Kamerstukken 2020-2021, 35613, nr. 3) volgt dat de wetgever niet heeft willen regelen dat de werknemer die onbetaald verlof geniet tijdens deze periode recht heeft op een uitkering voor betaald ouderschapsverlof, aldus het UWV.
3.2.
Eiseres betwist dit en meent dat de uitzondering van artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO op haar van toepassing is, waardoor zij wel degelijk recht heeft op betaald ouderschapsverlof. Eiseres valt onder de uitzondering aangezien de enige reden dat zij geen recht zou hebben op betaald ouderschapsverlof erin is gelegen dat haar arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet. Dit is conform hetgeen in de memorie van toelichting is vermeld: het uitzonderen van een uitkering voor betaald ouderschapsverlof van mensen die volgens de Ziektewet geen werknemer zijn is gelet op richtlijn 2019/1158 [1] niet houdbaar. Om die reden is artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO vastgesteld. In artikel 2 van Pro de richtlijn staat dat deze van toepassing is op alle werknemers met een arbeidsovereenkomst of een arbeidsbetrekking. Artikel 2 van Pro de richtlijn beperkt het toepassingsgebied niet tot werknemers die arbeid verrichten en een striktere uitleg is dan ook in strijd met de richtlijn. Artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO vermeldt niet dat arbeid verrichten een voorwaarde is om onder de uitzondering te vallen. Het is de bedoeling van de wetgever geweest om iedere werknemer wiens arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking wordt beschouwd op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet en die uitsluitend om die reden niet wordt aangemerkt als werknemer in de zin van de Ziektewet, recht te geven op betaald ouderschapsverlof. Noch uit de memorie van toelichting, noch uit de richtlijn blijkt dat de uitzondering van artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO alleen geldt voor de werknemer die op het moment van aanvraag van de uitkering ook arbeid verricht.
3.3.
De rechtbank volgt het standpunt van het UWV dat de uitzondering van artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO, alleen geldt voor werknemers die arbeid verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst en waarvan die arbeidsverhouding op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Omdat eiseres ten tijde van de aanvraag geen arbeid verrichtte, is artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO niet op haar van toepassing en heeft het UWV terecht besloten dat eiseres niet alsnog recht heeft op een uitkering voor betaald ouderschapsverlof.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat het ouderschapsverlof, zoals geregeld in de WAZO, is ingevoerd om werknemers tegemoet te komen in de situatie waarbij zij ouderschapstaken en betaalde arbeid moeten combineren. Met de regeling wordt ook beoogd meer vrouwen in het arbeidsproces te houden. Artikel 6:3 van Pro de WAZO vormt de implementatie van de artikelen 5 en 8, eerste en derde lid, van richtlijn 2019/1158 betreffende betaald ouderschapsverlof. Deze richtlijn beoogt het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers te verbeteren en heeft tot doel de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten en het gebruik van verlof om gezinsredenen en flexibele werkregelingen te verruimen. De richtlijn bevat maatregelen om werknemers beter in staat te stellen arbeid en zorg te combineren.
3.5.
Met het UWV wordt geoordeeld dat zijn standpunt strookt met wat kan worden afgeleid uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de WAZO. Daarin is onder meer vermeld dat artikel 6:3, zevende lid, van de WAZO, net als voor het aanvullend geboorteverlof, de hoogte van de uitkering voor betaald ouderschapsverlof regelt voor werknemers wier arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet, maar die wel een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling hebben doch niet voorkomen in de polisadministratie van het UWV. De memorie van toelichting verwijst vervolgens naar de toelichting op artikel 4:2b van de WAZO, over het recht op en de hoogte van de uitkering tijdens het aanvullend geboorteverlof. In die toelichting staat dat dit recht in artikel 4:2b van de WAZO is geregeld voor werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of privaatrechtelijke aanstelling
arbeid verrichten(cursivering toegevoegd door de rechtbank). Verder staat in de toelichting dat richtlijn 2019/1158 op grond van artikel 2 van Pro toepassing is op alle mannelijke en vrouwelijke werknemers met een arbeidsovereenkomst of een arbeidsbetrekking zoals bepaald door de in elke lidstaat geldende wetgeving, collectieve overeenkomst of gebruiken, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Nu (aanvullend) geboorteverlof uit de richtlijn komt, zal dit recht met een bijhorende uitkering ook voor de niet-verzekerde werknemers moeten gaan gelden die op basis van een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling
arbeid verrichten(cursivering toegevoegd door de rechtbank), zo nog steeds de memorie van toelichting.
3.6.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de woorden ‘arbeid verrichten’ in de hiervoor genoemde passages niet letterlijk gelezen moet worden of dat zij per vergissing in de memorie van toelichting zijn opgenomen. Dit ziet de rechtbank bevestigd door het voorbeeld dat elders in de memorie van toelichting is opgenomen over werknemers die langdurig onbetaald verlof opnemen: “Overigens bestaan er ook niet verzekerde werknemers die wel in de polisadministratie staan, dit betreft bijvoorbeeld een werknemer die langdurig onbetaald verlof opneemt. Nadat het onbetaald verlof is geëindigd kan er geboorteverlof, aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof worden opgenomen. In zo’n geval hanteert UWV een vervangend tijdvak bij de vaststelling van het dagloon. Degenen die niet verzekerd zijn voor de Ziektewet en ook niet werken op basis van een arbeidsovereenkomst ontvangen geen uitkering, dit betreft bijvoorbeeld een vrijwilliger die daarvoor een geringe vergoeding ontvangt.” Eiseres kon dus na haar periode van onbetaald verlof betaald ouderschapsverlof opnemen, maar niet tijdens die periode. De ter zitting ingenomen stelling van de gemachtigde van eiseres dat uit dit voorbeeld afgeleid kan worden dat een betrokkene gedurende het onbetaald verlof een WAZO-uitkering voor ouderschapsverlof kan krijgen, volgt de rechtbank dan ook niet.
3.7.
Dat een werknemer arbeid moet verrichten om onder het toepassingsbereik van artikel 6:3, zevende lid van de WAZO te vallen, strookt naar het oordeel van de rechtbank met de ratio van de WAZO en de richtlijn zoals hiervoor weergegeven in 3.4. In het licht daarvan komt het toekennen van betaald ouderschapsverlof aan een werknemer die onbetaald verlof geniet, zinledig voor. Bij onbetaald verlof is immers geen sprake van betaalde arbeid en dus evenmin van het combineren van ouderschapstaken met het verrichten van betaalde arbeid. Ook kan het toekennen van betaald ouderschapsverlof aan een werknemer die onbetaald verlof geniet er niet toe leiden dat meer vrouwen in het arbeidsproces worden gehouden. Dat de richtlijn niet specificeert dat het gaat om werknemers die arbeid verrichten, komt de rechtbank niet onlogisch voor nu ook de ratio van de richtlijn is gelegen in het in staat stellen van werknemers om arbeid en zorg te combineren.
3.8.
Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat de periode waarin zij onbetaald verlof heeft opgenomen eigenlijk minder lang is dan het lijkt. Zij heeft twee maanden onbetaald verlof opgenomen, in december 2023 en januari 2024. Daarna zou haar zwangerschaps- en bevallingsverlof ingaan. Omdat het UWV de door eiseres aangevraagde uitkeringen hiervoor niet in behandeling heeft genomen, merkt het UWV deze gehele periode aan als onbetaald verlof. De rechtbank begrijpt dat het wrang is voor eiseres dat zij door een samenloop van omstandigheden en, zoals eiseres ook heeft toegelicht, incorrecte voorlichting door de ex-werkgever, de uitkering is misgelopen. Vast staat echter dat eiseres van 1 november 2023 tot het einde van haar dienstverband eind oktober 2024 onbetaald verlof heeft gehad en in die periode niet heeft gewerkt. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV de uitkering voor betaald ouderschapsverlof terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wet- en regelgeving

Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a van de Ziektewet
Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in: een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan een maand heeft geduurd (…).
Artikel 6:3, eerste en zevende lid, van de WAZO
Een werknemer als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, heeft gedurende de periode dat het kind de leeftijd van een jaar nog niet heeft bereikt recht op uitkering over een periode van ten hoogste negen maal de arbeidsduur per week, waarin hij het verlof, bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, geniet. Indien de werknemer verlof als bedoeld in artikel 6:1, tweede lid, geniet in verband met een geadopteerd kind of een pleegkind, bestaat het recht op uitkering in afwijking van de vorige zin gedurende het eerste jaar na de dag van de feitelijke opneming ter adoptie of als pleegkind en voor zover het kind de leeftijd van acht jaren nog niet heeft bereikt.
(…)
Een werknemer wiens arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond van artikel 6 van Pro de Ziektewet en die uitsluitend om die reden niet wordt aangemerkt als werknemer in de zin van die wet, heeft recht op een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid. De uitkering bedraagt naar rato van de overeengekomen arbeidsduur per week 70% van het loon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, indien zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het derde tot en met zesde lid. Bij de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uren per week.
Artikel 2 van Pro de Richtlijn 2019/1158
Deze richtlijn is van toepassing op alle mannelijke en vrouwelijke werknemers met een arbeidsovereenkomst of een arbeidsbetrekking zoals bepaald door de in elke lidstaat geldende wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie.

Voetnoten

1.Richtlijn 2019/1158 van het Europees parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad.