ECLI:NL:RBAMS:2026:6878

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
13/041959-26 (zaak A) en 13/224124-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging brandstichting en mishandeling met molotovcocktail en klauwhamer

Op 9 februari 2026 probeerde de verdachte in Amsterdam-Zuidoost een explosie te veroorzaken bij een ING-bankgebouw door een molotovcocktail te gooien. Daarnaast had hij molotovcocktails in bezit, vernielde hij ramen met een klauwhamer en bedreigde en mishandelde hij een beveiliger met diezelfde hamer.

De rechtbank achtte bewezen dat er sprake was van poging tot brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, maar niet van levensgevaar. De bedreiging en mishandeling van de beveiliger werden eveneens wettig en overtuigend bewezen, mede door verklaringen en letselschadefoto's. De verdachte verklaarde zelf dat hij in een psychose verkeerde door drugsgebruik.

De rechtbank hield rekening met de psychische toestand van de verdachte, zijn behandeling onder een zorgmachtiging en zijn goede medewerking. Daarom werd een gevangenisstraf van 120 dagen opgelegd, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tevens werd een schadevergoeding van €28.623,75 aan ING Bank toegekend voor de vernielde ruiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf waarvan 100 voorwaardelijk wegens poging brandstichting, vernieling, bedreiging en mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/041959-26 (zaak A) en 13/224124-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
(mr. M.L. Vermeulen) en van wat verdachte en zijn raadsman (mr. F.E. Olberts) naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van ING Bank N.V. en de toelichting daarop ter zitting door de heer [naam] . Ook ter zitting aanwezig waren aangever [naam aangever] en de arts van verdachte, de heer J.G. Polman .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 9 februari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
poging tot brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing bij het
ING-bedrijfspand aan de Bijlmerdreef, door een molotovcocktail met open vuur in aanraking te brengen en deze richting/in de nabijheid van het voornoemde bedrijfspand te gooien;
het voorhanden hebben van een molotovcocktail;
het met een (klauw)hamer vernielen van meerdere ramen van het voornoemde
ING-bedrijfspand;
bedreiging van [naam aangever] , door hem de (klauw)hamer te tonen en deze in de richting/tegen de arm van deze [naam aangever] te zwaaien en door hem de woorden toe te voegen: “Fuck off. I kill you” en “Ik vermoord je. Ik sla je dood”;
mishandeling van [naam aangever] , door hem met de (klauw)hamer tegen/op zijn arm te slaan.
In zaak B is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 16 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee molotovcocktails.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van het in zaak A onder 1 aan verdachte tenlastegelegde acht de officier van justitie enkel het gemeen gevaar voor goederen bewezen. Dat er ook sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander acht zij niet bewezen.
3.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 1 aan verdachte tenlastegelegde, net als de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat enkel het gemeen gevaar voor goederen kan worden bewezen en dat van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander geen sprake is.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en 3 en het in zaak B aan verdachte tenlastegelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van het in zaak A onder 4 en 5 aan verdachte tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Er is voor wat betreft deze feiten geen ondersteunend bewijs voor de aangifte van aangever [naam aangever] , aldus de raadsman.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Zaak A, feiten 1, 2 en 3 en zaak B
Verdachte heeft ten aanzien van de in de kop genoemde feiten een bekennende verklaring afgelegd en door de raadsman is ten aanzien van deze feiten geen verweer strekkende tot vrijspraak gevoerd. Ingevolge artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering kan derhalve worden volstaan met de verderop weer te geven opgave van de bewijsmiddelen waarop de onder 4 opgenomen bewezenverklaring van de in de kop genoemde feiten steunt.
Ten aanzien van het aan verdachte in zaak A onder 1 tenlastegelegde is de rechtbank met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat enkel bewezen kan worden dat bij de poging tot brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Dat er ook sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander volgt onvoldoende uit het dossier. In het dossier bevindt zich bijvoorbeeld geen deskundigenrapportage (van bijvoorbeeld de brandweer of de forensische opsporing) waarin gesproken wordt over of onderbouwd wordt dat sprake is geweest van een dergelijk gevaar. De concrete omstandigheden van het geval zijn bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat reeds op grond van algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Deze juridische conclusie doet niet af aan de impact die het incident heeft gehad op het (aanwezige) personeel van het ING-kantoor.
Zaak A, feiten 1, 2 en 3:

1.Proces-verbaal aangifte van 9 februari 2026 met nummerPL1300-2026032862-10, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s001 t/m 007.

2.Proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2026 met nummer2026032862-17, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 039 t/m 048.

3.
Proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2026 met nummer 2026032862-21, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s (nazending raadkamer) 053 t/m 055.

4.Proces-verbaal forensisch onderzoek hoofdkantoor ING-bank van12 februari 2026 met nummer PL1300-2026032862-14, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina’s (nazending) 53 t/m 59.

5.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.

Zaak B:

1.Proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2025 met nummerPL1300-2025204798-5, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 6] , doorgenummerde pagina’s 9 t/m 12.

2.
Proces-verbaal determinatie onderzoek wapen (explosief) van 16 augustus 2025 met nummer PL1300-2025204798-6697982, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] , doorgenummerde pagina’s 77 t/m 78.
3.
Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ) van 2 september 2025 met nummer PL1300-2025204798-21, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 8] en [opsporingsambtenaar 9] Wit, digitaal genummerde pagina’s 82 t/m 88.

4.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.

3.3.2
Zaak A, feiten 4 en 5
Anders dan de raadsman acht de rechtbank ook de in zaak A onder 4 en 5 aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. [1] De rechtbank zal haar motivering op dit punt in het hiernavolgende toelichten.
De verklaring van [naam aangever]
(hierna: aangever) heeft verklaard dat hij tijdens het incident bij het
ING-kantoor in Amsterdam op 9 februari 2026 aan het werk was als beveiliger. Na het gooien van de molotovcocktail door verdachte is aangever op hem afgegaan. Verdachte heeft zich daarbij meerdere keren omgedraaid en tegen aangever gezegd: “Fuck off. I kill you.” Ook heeft verdachte een aantal keren in de richting van aangever gezwaaid met de klauwhamer die verdachte op dat moment vast had. Even later heeft verdachte ook tegen aangever gezegd: “Ik vermoord je. Ik sla je dood.” Op een gegeven moment heeft aangever verdachte vastgepakt. Verdachte heeft hierop geprobeerd om aangever te raken met zijn klauwhamer. Aangever heeft de hamer af kunnen weren met zijn linker onderarm. [2]
Letsel
Van het letsel van aangever zitten foto’s in het dossier. Op die foto’s is letsel te zien aan de linker onderarm van aangever. [3] De rechtbank is van oordeel dat dit letsel past bij het afweren van een klauwhamer.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat de bedreiging en de mishandeling van aangever naar zijn idee niet hebben plaatsgevonden. Hij weet nog wel dat hij wat woorden heeft gewisseld met aangever. [4] Welke woorden dat waren, kan verdachte zich niet herinneren.
Conclusie
Aan de hand van de verklaring van aangever over het slaan met de klauwhamer en de foto’s van het daarbij passende letsel acht de rechtbank de onder 5 tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de onder 4 tenlastegelegde bedreiging geldt dat het tenlastegelegde tonen van en het zwaaien met de klauwhamer steun vindt in de bewezenverklaring van de mishandeling. De rechtbank acht het aan de hand van het feit dat verdachte aangever uiteindelijk heeft geraakt met de klauwhamer aannemelijk dat hij hiermee ook heeft gedreigd door deze te tonen en ermee te zwaaien. Specifiek voor de geuite woordelijke bedreiging geldt dat op dit punt steun kan worden gevonden in hetgeen verdachte zelf heeft verklaard over het plaatsvinden van een woordenwisseling. De rechtbank heeft verder ook geen enkele reden om aan te nemen dat aangever alleen over de mishandeling de waarheid zou spreken en niet over de bedreiging. De hele context waarbinnen de bedreiging uiteindelijk heeft plaatsgevonden wordt verder ook bevestigd door hetgeen te zien is op camerabeelden. Daarop is inderdaad te zien dat er een beveiliger achter verdachte aanrent. [5] Concluderend acht de rechtbank ook de onder 4 tenlastegelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte:
Zaak A:
1
op 9 februari 2026 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in het bedrijfspand van ING ( [adres] ) aanwezige goederen te duchten was, een fles met brandbare vloeistof (molotovcocktail) met open vuur in aanraking heeft gebracht en in de richting van voornoemd bedrijfspand heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 9 februari 2026 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een fles met brandbare vloeistof (molotovcocktail), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
3
op 9 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk ramen, die aan de ING bank toebehoorden, heeft vernield door meermalen met een klauwhamer tegen voornoemde ramen te slaan;
4
op 9 februari 2026 te Amsterdam [naam aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
- door voornoemde [naam aangever] een klauwhamer te tonen en deze meermalen in de richting van het lichaam en tegen de arm van voornoemde [naam aangever] te zwaaien en
- door die [naam aangever] meermalen dreigend in de Engelse en Nederlandse taal de woorden toe te voegen "Fuck off. I kill you” en “Ik vermoord je. Ik sla je dood”;
5
op 9 februari 2026 te Amsterdam [naam aangever] heeft mishandeld door voornoemde [naam aangever] met een klauwhamer tegen de arm te slaan;
Zaak B:
op 16 augustus 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee molotovcocktails, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5.
De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. In haar eis gaat de officier van justitie er vanuit dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
7.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de feiten verdachte slechts in (sterk) verminderde mate kunnen worden toegerekend. Hij heeft verder gewezen op het feit dat verdachte first offender is, dat hij momenteel is ingebed in (gedwongen) zorg in het kader van een zorgmachtiging, de open en reflectieve proceshouding van verdachte en zijn steunend sociaal netwerk en concreet toekomstperspectief. Er kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf, aldus de raadsman.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Door met een brandende molotovcocktail richting het ING-kantoor te gooien en met een klauwhamer de ruiten te vernielen, heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de ING. Los daarvan heeft verdachte bij het (aanwezige) personeel van het kantoor ook gevoelens van angst teweeggebracht. De woordvoerder van de ING heeft ter zitting aangegeven dat het personeel in de veronderstelling was dat er een aanslag werd gepleegd op het kantoor en dat het gebeuren nog steeds impact heeft. Deze dreiging heeft zich in het bijzonder geconcretiseerd voor aangever [naam aangever] , die door verdachte met de dood is bedreigd en is mishandeld met een klauwhamer.
De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 25 februari 2026 geschorst. Aan die schorsing is een aantal voorwaarden verbonden (een meldplicht en de verplichting mee te werken aan de beheersing van middelengebruik door middel van controles). Sinds november 2025 staat verdachte in het kader van een zorgmachtiging onder behandeling van een psycholoog en psychiater bij Mentrum. Voor zover de reclassering bekend is komt verdachte in het kader van deze behandeling zijn afspraken na. De reclassering overweegt dat verdachte voldoende is ingebed in zorg en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Het risico op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden schat de reclassering in als hoog. In het geval van het opleggen van een gevangenisstraf adviseert de reclassering plaatsing op een afdeling waar extra zorg beschikbaar is. De reclassering adviseert negatief ten aanzien van een taakstraf, gelet op de psychische problematiek van verdachte.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij ten tijde van het plegen van de feiten in een psychose zat na het gebruik van cocaïne en amfetamine. Verdachte heeft vaker meegemaakt dat een psychose ontstond na het gebruik van middelen. Inmiddels is verdachte gestopt met zijn studie en is hij weer bij zijn ouders gaan wonen, in een omgeving met meer rust en stabiliteit. Verdachte heeft momenteel werk. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis zegt verdachte geen middelen meer gebruikt te hebben. Hij is momenteel nog altijd onder behandeling bij Mentrum. Daar krijgt verdachte ook antipsychotica. De behandeling verloopt goed, zo zegt verdachte zelf.
Volgens de arts van verdachte, de heer J.G. Polman , die ter zitting is gehoord, kan de recidive beperkt worden door langdurige en goed ingekaderde zorg. De heer Polman heeft verdachte niet gezien terwijl hij in zijn psychose zat, maar herkent hetgeen de verdachte hierover ter zitting heeft verklaard.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de feiten aan verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het is, gelet op de feiten en het gedrag van verdachte voor zover dat uit het dossier blijkt, aannemelijk dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een psychose verkeerde. De rechtbank overweegt verder dat verdachte goed ingebed is in zijn behandeling en dat hij daaraan goed meewerkt. De rechtbank onderschrijft het belang van langdurige en goed ingekaderde zorg. Mede gelet op de zorgmachtiging die nog een tijd doorloopt, ziet de rechtbank overeenkomstig het advies geen rol voor de reclassering. Om de continuïteit van de zorg te waarborgen acht de rechtbank het – ondanks de ernst van de feiten – niet goed voor verdachte en voor de samenleving om verdachte terug te sturen naar de gevangenis. De rechtbank zal daarom volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.
Voor wat betreft de duur van de op te leggen gevangenisstraf overweegt de rechtbank als volgt. Gezien de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en het feit dat er ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen te verklaren feit sprake is geweest van een poging en de gevaarzetting relatief gering was, komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk. De proeftijd stelt de rechtbank op 3 jaar, om op die manier gedurende een langere periode een stok achter de deur te hebben.

8.Beslag

Onder verdachte zijn in zaak B de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 6 STK Mes (PL1300-2025204798-G6697978);
- 1 STK Aansteker (PL1300-2025204798-G6697975);
- 1 DS Lucifers (PL1300-2025204798-G6697976);
- 500 ML Benzine (PL1300-2025204798-G6697980);
- 14 GR Vuurwerk (PL1300-2025204798-G6697967);
- 10 STK Vuurwerk (PL1300-2025204798-G6697973);
- 1 STK Verband (PL1300-2025204798-G6699728);
- 1 STK Verband (PL1300-2025204798-G6699729);
- 2 STK Bom (PL1300-2025204798-G669782);
- 1 STK Vuurwerklont (PL1300-2025204798-6697974).
Ter zitting heeft de officier van justitie ook ten aanzien van zaak A melding gemaakt van in beslag genomen voorwerpen waar nog een beslissing over genomen moet worden. Uit een op 9 februari 2026 door verdachte getekende afstandsverklaring met registratienummer 260209-465-231 volgt echter dat verdachte van deze voorwerpen (verdovende middelen, een aansteker, vuurwerk en een aansteeklont) reeds afstand heeft gedaan. Een beslissing van de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen is daarom niet meer nodig.
De in zaak B in beslag genomen goederen zal de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, onttrekken aan het verkeer. De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering
De benadeelde partij, ING Bank N.V., vordert € 28.623,75 (exclusief btw) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit de kosten voor het vervangen van de vier ruiten. De benadeelde partij verzoekt het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ingenomen standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding volledig kan worden toegewezen. De raadsman heeft zich ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Het staat vast dat het verdachte is geweest die de schade aan de ruiten heeft veroorzaakt. Gelet hierop en gezien de ingenomen standpunten zal de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding daarom in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. In lijn met vaste rechtspraak legt de rechtbank niet de schadevergoedingsmaatregel op, nu de benadeelde partij geacht wordt in staat te zijn de toegewezen vordering zelf te incasseren.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 45, 57, 157, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
t.a.v. zaak A, feit 1:
poging tot het opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
t.a.v. zaak A, feit 2 en zaak B:
telkens: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
t.a.v. zaak A, feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
t.a.v. zaak A, feit 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
t.a.v. zaak A, feit 5:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
100 (honderd) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 6 STK Mes (PL1300-2025204798-G6697978);
- 1 STK Aansteker (PL1300-2025204798-G6697975);
- 1 DS Lucifers (PL1300-2025204798-G6697976);
- 500 ML Benzine (PL1300-2025204798-G6697980);
- 14 GR Vuurwerk (PL1300-2025204798-G6697967);
- 10 STK Vuurwerk (PL1300-2025204798-G6697973);
- 1 STK Verband (PL1300-2025204798-G6699728);
- 1 STK Verband (PL1300-2025204798-G6699729);
- 2 STK Bom (PL1300-2025204798-G669782);
- 1 STK Vuurwerklont (PL1300-2025204798-6697974).
Ten aanzien van zaak A, feit 3, de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij, ING Bank N.V. toe tot een bedrag van
€ 28.623,75 (achtentwintigduizend zeshonderddrieëntwintig euro en vijfenzeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. A.M. Loots en M. Bakhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2026032970-2, doorgenummerde pagina’s 008 t/m 009.
3.Proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2026032970-2, doorgenummerde pagina’s 012 en 014.
4.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026032862-17, doorgenummerde pagina 047.