ECLI:NL:RBAMS:2026:6854

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
13-086833-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens intrekking Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 juni 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België, gericht op de aanhouding en overlevering van een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit. De behandeling werd aangehouden om te onderzoeken of er overlap bestond tussen de Nederlandse en Belgische strafzaken.

Op 23 juni 2026 ontving de rechtbank aanvullende informatie van de Belgische justitiële autoriteit waarin werd meegedeeld dat het EAB was ingetrokken en dat Nederland werd verzocht de uitleveringsprocedure te beëindigen. Op de zitting van 1 juli 2026, waar de opgeëiste persoon wederom aanwezig was met zijn advocaat, werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

De rechtbank stelde tevens vast dat de geschorste overleveringsdetentie was geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-086833-26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2026 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Irak),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 10 juni 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij het Openbaar Ministerie in België na te gaan in hoeverre er overlap is tussen de verdenkingen in de Nederlandse en Belgische strafzaak.
De zitting van 1 juli 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Inleiding
Op 23 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Op 4/03/2026 werd door mijn ambt een EAB uitgevaardigd lastens dhr. [de opgeëiste persoon] (…). Op heden besliste mijn ambt dit EAB in te trekken en aan Nederland te verzoeken de procedure inzake uitlevering te beëindigen.”.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met, de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat het EAB is ingetrokken, waardoor de grondslag aan de vordering is komen te ontvallen.

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VASTdat
(de geschorste) overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.