Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.Beslissing
(de geschorste) overleveringsdetentie is geëindigd.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 juni 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België, gericht op de aanhouding en overlevering van een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit. De behandeling werd aangehouden om te onderzoeken of er overlap bestond tussen de Nederlandse en Belgische strafzaken.
Op 23 juni 2026 ontving de rechtbank aanvullende informatie van de Belgische justitiële autoriteit waarin werd meegedeeld dat het EAB was ingetrokken en dat Nederland werd verzocht de uitleveringsprocedure te beëindigen. Op de zitting van 1 juli 2026, waar de opgeëiste persoon wederom aanwezig was met zijn advocaat, werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
De rechtbank stelde tevens vast dat de geschorste overleveringsdetentie was geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het Europees aanhoudingsbevel.