ECLI:NL:RBAMS:2026:6725

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/13/788198 / KG ZA 26-427 MdV/GR
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering groothandel tot onmiddellijke betaling openstaande facturen apotheken

Pluripharm, een groothandel in farmaceutische producten, vordert in kort geding betaling van openstaande facturen van circa 5 miljoen euro van meerdere apotheken binnen de Apotheekgroep Noordplein. De apotheken bestellen sinds 2019 op basis van een leveranciersovereenkomst waarbij vooruitbetaling en verrekening van facturen plaatsvindt. Vanaf 2023 ontstonden betalingsachterstanden doordat vooruitbetalingen ontoereikend waren.

Pluripharm sommeer de apotheken in april 2026 tot onmiddellijke betaling en eiste tevens zekerheden in de vorm van pandrechten op vorderingen en aandelen. De apotheken leverden financiële inzage maar weigerden zekerheden te verstrekken en deden geen aflossingen. Pluripharm stelde dat de apotheken in verzuim zijn en vorderde betaling en zekerheidstelling.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel de betalingsachterstanden vaststaan, het spoedeisend belang ontbreekt. De achterstanden zijn geleidelijk ontstaan en Pluripharm heeft jarenlang geen actie ondernomen. De eis tot onmiddellijke betaling is onredelijk en brengt de apotheken en hun patiënten in acute problemen. Ook is onduidelijkheid over de exacte hoogte van de vorderingen en de verrekening van kortingen. De gevorderde zekerheidstelling wordt afgewezen omdat de contractuele verplichting daartoe niet blijkt uit de overeenkomst.

De vorderingen worden afgewezen en Pluripharm wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van Pluripharm tot onmiddellijke betaling en zekerheidstelling worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onduidelijkheid over de vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788198 / KG ZA 26-427 MdV/GR
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
PLURIPHARM B.V.,
te Alkmaar,
eisende partij bij dagvaarding van 2 juni 2026,
hierna te noemen: Pluripharm,
advocaat: mr. S.L. Boersen,
tegen

1.APOTHEEK BERGWEG ROTTERDAM B.V.,

te Rotterdam,
2.
APOTHEEK SCHIEMOND ROTTERDAM B.V.,
te Rotterdam,
3.
APOTHEEK SCHILDERSWIJK DEN HAAG B.V.,
te Den Haag,
4.
APOTHEEK SPANHOFF ROTTERDAM B.V.,
te Rotterdam,
5.
APOTHEEK WALENBURG ROTTERDAM B.V.,
te Rotterdam,
6.
APOTHEEK ZEELT ROTTERDAM B.V.,
te Rotterdam,
7.
APOTHEEKGROEP NOORDPLEIN HOLDING 1 B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de apotheken; waar nodig wordt gedaagde sub 7 apart als ‘holding’ aangeduid,
advocaat: mr. M.G. van den Boogerd.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 11 juni 2026 heeft Pluripharm de dagvaarding toegelicht. De apotheken hebben verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht; Pluripharm heeft ook een pleitnota in het geding gebracht en voorgedragen.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover relevant, aanwezig:
namens de apotheken: [naam 1] (bestuurder gedaagde sub 7) met mr. Van den Boogerd,
namens Pluripharm: [naam 2] (
manager finance) en [naam 3] (
CEO) met mrs. Boersen en J. Wind.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor schikkings-onderhandelingen. Op 17 juni 2026 heeft Pluripharm verzocht vonnis te wijzen, dat is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Pluripharm exploiteert een groothandel in farmaceutische producten. Zij levert een compleet assortiment genees- en hulpmiddelen aan apotheken in heel Nederland.
2.2.
De apotheken maken onderdeel uit van ‘de Apotheekgroep’ Noordplein en worden indirect via gedaagde sub 7 (hierna: de holding) bestuurd door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.3.
Sinds eind 2019 bestellen de apotheken op basis van een leveranciersovereenkomst producten bij Pluripharm. Partijen zijn in dat kader overeengekomen dat op basis van vooruitbetaling bestellingen konden worden geplaatst, waarna de facturen met deze vooruitbetalingen zouden worden verrekend; daarna dienden dan nog eventuele restbetalingen plaats te vinden.
2.4.
De leveranciersovereenkomst bestaat uit een raamovereenkomst en een deelovereenkomst.
2.5.
Partijen zijn in artikel 6 lid 7 van Pro de raamovereenkomst het volgende overeengekomen:
Pluripharm is, ter verzekering van haar rechten als schuldeiser, gerechtigd om zekerheid te vragen in de vorm van een pand- of hypotheekrecht en om inzage te verkrijgen in de omzet, kwartaal- en jaarcijfers van afnemer. Op haar eerste verzoek zal Afnemer deze aan Pluripharm doen toekomen. Pluripharm zal de cijfers niet met enig ander doel gebruiken dan ter verzekering van haar positie als crediteur.
2.6.
Sinds eind 2019 heeft Pluripharm de apotheken dagelijks beleverd. De apotheken konden dagelijks bestellingen plaatsen bij Pluripharm, waarna levering in beginsel de volgende dag plaatsvond. Het systeem waarbij de apotheken wekelijks een vast bedrag vooruitbetaalden dat vervolgens werd verrekend met de facturen, heeft in de periode tussen 2019 en 2022 zonder noemenswaardige problemen gefunctioneerd.
2.7.
Vanaf 2023 waren de vooruitbetalingen steeds vaker ontoereikend en bleven
nabetalingen geheel of gedeeltelijk uit. Het bedrag aan onbetaald gebleven facturen is blijven oplopen. Volgens Pluripharm staat er op dit moment (afgerond) € 5 miljoen open.
2.8.
Tot de zomer van 2025 was de heer [naam 4] ,
finance managervan Pluripharm, de contactpersoon van de apotheken. In de zomer van 2025 heeft Pluripharm een nieuwe
finance manageraangesteld, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Op 8 april 2026 heeft [naam 2] aan [naam 1] geschreven:
Afgelopen jaren heeft u contact gehad met mijn collega [naam 4] inzake de wekelijkse betalingen. Afgelopen zomer heeft [naam 4] een nieuwe uitdaging gekozen en Pluripharm verlaten. Helaas is de overdracht van de wekelijkse afstemming met u niet goed overgedragen. U heeft gelukkig de afgelopen maanden de wekelijkse betalingen voortgezet vanuit eigen initiatief, echter zijn de betalingen niet toereikend ten opzichte van de uitgestuurde facturen. Hierdoor is het openstaand saldo flink opgelopen en is effectief geen sprake meer van vooruitbetalingen. Graag wil ik het contact met u heropenen. […]
2.9.
Op 13 april 2026 heeft [naam 2] aan [naam 1] bericht dat hij hem zal bellen “
om te kijken hoe dit op te lossen - met zeer spoedige betalingen en welke zekerheden u kunt stellen om de positie van Pluripharm te kunnen waarborgen totdat het saldo naar een regulier saldo is teruggelopen.
2.10.
Pluripharm heeft de apotheken bij brief van 29 april 2026 gesommeerd de volledige openstaande vorderingen, vermeerderd met rente en kosten, op uiterlijk 1 mei 2026 te voldoen. De apotheken hebben daar niet aan voldaan.
2.11.
Bij brief van 7 mei 2026 heeft (de advocaat van) Pluripharm aan (de advocaat van) de apotheken geschreven dat, voor zover de apotheken de schulden aan Pluripharm niet kunnen voldoen, [naam 1] persoonlijk aansprakelijk wordt gehouden. Pluripharm kondigt daarbij aan dat: (i) geneesmiddelen en diensten uitsluitend nog geleverd zullen worden tegen Apotheek Inkoopprijzen (AIP), dus zonder enige korting, (ii) de apotheken vanaf 11 mei 2026 niet langer gebruik kunnen maken van de zogeheten ‘
central filling’, een werkwijze in de farmacie waarbij verschillende recepten van patiënten niet in de apotheek zelf, maar op één centrale locatie worden gesorteerd, verpakt en geëtiketteerd, en (iii) geneesmiddelen uitsluitend nog op basis van volledig en tijdig ontvangen vooruitbetalingen, steeds vermeerderd met een door Pluripharm te bepalen bedrag ter aflossing van de schuld, één of twee keer per week zullen worden geleverd.
2.12.
Op 12 mei 2026 ontving Pluripharm een bericht van [naam 1] waarin hij onder meer liet weten dat als gevolg van de door Pluripharm genomen maatregelen de zorg voor patiënten ernstig in het geding zou komen.
2.13.
Partijen hebben overleg gevoerd over een werkbare oplossing. Daarbij heeft Pluripharm de apotheken (onder meer) verzocht een akte van stille verpanding van hun vorderingen te ondertekenen en terug te sturen, alsmede hun volledige medewerking te verlenen aan het vestigen van een pandrecht op de aandelen die de holding in het kapitaal van de apotheken houdt, op basis van een meegestuurde pandakte aandelen. Daarnaast heeft Pluripharm de apotheken verzocht om volledige inzage in hun financiële situatie.
2.14.
Voorafgaand aan de zitting hebben de apotheken de gevraagde inzage in hun financiële situatie gegeven. Zij hebben echter geen zekerheden verstrekt en ook geen aflossingen gedaan. Voor zover de apotheken nog bestellingen plaatsen bij Pluripharm, krijgen zij daarop geen kortingen meer en betalen zij die volledig vooruit.

3.Het geschil

3.1.
Pluripharm vordert – na vermindering van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Apotheek Bergweg Rotterdam B.V. te veroordelen tot betaling van:
  • a) een bedrag van € 404.240,33; en
  • b) een bedrag van € 9.752,75;
II. Apotheek Zeelt Rotterdam B.V. te veroordelen tot betaling van:
  • a) een bedrag van € 923.779,21; en
  • b) een bedrag van € 25.142,88;
III. Apotheek Walenburg Rotterdam B.V. te veroordelen tot betaling van:
  • a) een bedrag van € 1.087.846,97; en
  • b) een bedrag van € 29.556,73;
IV. Apotheek Spanhoff Rotterdam B.V. te veroordelen tot betaling van:
  • a) een bedrag van € 805.338,08; en
  • b) een bedrag van € 27.431,50;
V. Apotheek Schilderswijk Den Haag B.V. te veroordelen tot betaling van:
  • a) een bedrag van € 1.006.715,47; en
  • b) een bedrag van € 24.622,01;
VI. Apotheek Schiemond Rotterdam B.V. te veroordelen tot betaling van
  • a) een bedrag van € 639.622,40;
  • b) een bedrag van € 15.925,76;
een en ander steeds te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening; en
VII. de apotheken, ieder afzonderlijk, te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis
  • a) een door een rechtsgeldige vertegenwoordiger getekende versie van de akte verpanding vorderingen en aandelen, zoals door Pluripharm als productie 19 overgelegd, althans – subsidiair – als productie 19A met aanpassingen, te verstrekken aan de advocaten van Pluripharm; alsmede
  • b) alle verdere handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor vestiging, registratie en effectuering van de daarin opgenomen pandrechten, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000 per dag of gedeelte daarvan dat niet (geheel) aan deze veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 500.000; en
  • c) te bepalen dat indien de apotheken niet binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling hebben voldaan, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de door Pluripharm als productie 19 , althans – subsidiair – productie 19A met aanpassingen, overgelegde akte tot verpanding van vorderingen en aandelen.
VIII. Tot slot vordert Pluripharm de apotheken hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.
3.2.
Pluripharm legt aan de vordering ten grondslag dat de apotheken in de periode van oktober 2023 tot en met april 2026 een groot aantal bestellingen bij Pluripharm hebben geplaatst, waarvan de kosten niet volledig vooruit zijn betaald en evenmin binnen dertig dagen na de factuurdatum zijn voldaan. Op grond daarvan verkeren de apotheken in verzuim. Zij dienen de openstaande vorderingen te betalen.
3.3.
Daarnaast is Pluripharm op grond van artikel 6 lid 7 van Pro de raamovereenkomst, ter verzekering van haar positie als crediteur, ook gerechtigd van de apotheken zekerheid te verlangen in de vorm van een pand- of hypotheekrecht (zie 2.5). Pluripharm heeft de apotheken bij e-mailbericht 15 mei 2026 nogmaals gesommeerd om zekerheid te verstrekken. In dat kader heeft Pluripharm een conceptakte tot verpanding van vorderingen en aandelen van de apotheken aan hen toegezonden, met het verzoek deze te ondertekenen, althans medewerking te verlenen aan het verpanden van de aandelen. De apotheken hebben daaraan niet voldaan en verkeren derhalve ook met deze verplichting in verzuim.
3.4.
De apotheken voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.4. De beoordeling

vorderingen I-VI
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van Pluripharm op de apotheken voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
4.2.
Vast staat dat er betalingsachterstanden zijn, die zijn ontstaan doordat sinds 2023 de wekelijkse vooruitbetalingen de leveringen niet volledig dekten. Partijen zijn hier blijkbaar allebei niet scherp op geweest.
4.3.
Pluripharm is in april 2026, dus recent, voor het eerst om betaling van de achterstanden gaan vragen. Daarbij heeft [naam 2] aanvankelijk geschreven dat het saldo moest teruglopen naar een “
regulier saldo”. Reeds op 29 april 2026 zijn de apotheken echter bij advocatenbrief gesommeerd om de volledige vorderingen met een totale hoofdsom van (afgerond) € 4 miljoen, plus rente en kosten, binnen drie dagen te voldoen. Die eis was evident niet in te willigen. Pluripharm leek wel open te staan voor een betalingsregeling, maar eiste daarbij allerlei zakelijke en persoonlijke zekerheden. De apotheken stonden daar op zichzelf ook voor open, maar hebben onderbouwde bezwaren geformuleerd tegen de vorm waarin de geëiste zekerheid volgens Pluripharm moet worden gegoten. Hierover is tussen de advocaten van partijen veelvuldig en tamelijk escalerend gecorrespondeerd.
4.4.
Met de apotheken is de voorzieningenrechter van oordeel dat de wijze waarop Pluripharm hen onder druk heeft gezet om een achterstand, die in enkele jaren door onoplettendheid van – in elk geval ook – Pluripharm is ontstaan, in zeer korte tijd volledig in te lopen, niet strookt met de eisen van redelijkheid en billijkheid die contractspartijen tegenover elkaar in acht horen te nemen.
4.5.
Die conclusie betekent natuurlijk niet dat Pluripharm geen aanspraak zou mogen maken op betaling van haar vorderingen, maar wel dat zij dit niet op deze korte termijn mag doen. De vorderingen zijn ook niet spoedeisend. Pluripharm heeft de oplopende achterstanden zelf jarenlang op hun beloop gelaten. In april 2026 zette zij eerst nog in op het “laten teruglopen naar een regulier saldo” daarvan. Waarom dan nu de volledige vorderingen onmiddellijk moeten worden betaald, is niet duidelijk geworden. Daarbij komt dat de betalingsachterstand niet verder oploopt (bestellingen worden inmiddels volledig vooruit betaald) en dat onmiddellijke betaling de apotheken – en daarmee vooral ook de patiënten die van de betreffende apotheken afhankelijk zijn – in acute problemen brengt. Niet gesteld is dat Pluripharm in de problemen komt als zij langer op betaling zou moeten wachten en de apotheken wat meer lucht en langer de gelegenheid zou bieden om een oplossing voor de betalingsachterstand te regelen.
4.6.
Verder geldt dat wel duidelijk is dat de betalingsachterstanden fors zijn, maar dat de achterstand per apotheek niet precies duidelijk is. De apotheken voeren aan dat in het verleden ten onrechte kortingen zijn onthouden en geen inzicht is gegeven in de wijze waarop (betalings)kortingen zijn verwerkt en of/hoe wekelijkse betalingen zijn verrekend met facturen. Bij die stand van zaken kan niet zonder meer worden uitgegaan van de door Pluripharm berekende bedragen, wat ook een beletsel is voor toewijzing van die bedragen in kort geding. Mogelijk zou een lager bedrag – zo ongeveer tot de hoogte van het bedrag dat ook door de apotheken wordt erkend, als zij daarbij al een bedrag noemen – kunnen worden toegewezen, maar dat komt dan neer op toekenning van een voorschot. Daarvoor dient dan een duidelijk spoedeisend belang aanwezig te zijn, en zoals hiervoor is vastgesteld, is dat er niet, althans heeft Pluripharm dat onvoldoende onderbouwd. De slotsom is dat de geldvorderingen in dit kort geding niet worden toegewezen.
vordering VII
4.7.
De vorderingen tot het stellen van zekerheid onder VII, a tot en met c, zijn evenmin toewijsbaar. Pluripharm stelt dat de apotheken contractueel verplicht zijn zekerheden te stellen en wijst daartoe op artikel 6 lid 7 van Pro de raamovereenkomst. Daarin is evenwel slechts bepaald dat Pluripharm zekerheid mag vragen. Of de apotheken verplicht zijn die zekerheid vervolgens ook te verstrekken, blijkt daaruit niet. De bewoordingen van de bepaling wijzen daar niet op. De woorden “
deze” en “
doen toekomen” in het betreffende artikellid (zie 2.5) lijken te verwijzen naar de verplichting omzet, kwartaal- en jaarcijfers van de apotheken aan Pluripharm te verstrekken, en niet naar het vragen van zekerheid. Zekerheden “doet” men doorgaans ook niet aan een wederpartij “toekomen”, maar men “verstrekt” die. Vooralsnog wordt de uitleg die Pluripharm aan de bepaling geeft dus niet gevolgd. Als uit de bepaling al een verplichting zou volgen om zekerheid te stellen, is voorts nog niet gezegd dat die dan de vorm moet hebben die Pluripharm thans in dit kort geding eist. De door Pluripharm opgestelde pandakte gaat ervan uit dat de apotheken zich onderling voor elkaar verbinden en dat de holding zich ook verbindt. Het is voorshands niet evident dat de apotheken en de holding hiertoe contractueel gehouden zouden zijn.
4.8.
Verder bepaalt de pandakte dat Pluripharm zekerheden mag uitwinnen als de apotheken in verzuim zijn. Dat is op zich logisch, maar betekent hier concreet dat Pluripharm direct kan gaan incasseren, nu de apotheken reeds in verzuim zijn. Pluripharm heeft wel gezegd dat dit niet de bedoeling is, maar zij heeft hierover verder niets toegezegd. De slotsom is dat ook dit deel van de vordering niet wordt toegewezen.
4.9.
Pluripharm is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de apotheken worden begroot op:
- griffierecht
10.487,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.853,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Pluripharm af,
5.2.
veroordeelt Pluripharm in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Pluripharm niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Pluripharm tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.