Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[bedrijf 2] B.V., rechtsopvolger onder algemene titel van
[bedrijf 3] B.V.,
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
vrijdag 17 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door [eiser] ,
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een openstaande factuur van €194,13 wegens ongeoorloofd langer gebruik van een huurauto, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. De huurovereenkomst is gesloten tussen een handelaar en consument en bevat geen huurprijs. De kantonrechter stelt vast dat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen noodzakelijk is.
De rechter benadrukt dat de informatieplichten uit artikel 6:230l BW zijn nageleefd, maar dat eiser zich niet heeft uitgelaten over de specifieke contractuele grondslagen van de afzonderlijke onderdelen van de vordering, zoals de kosten voor langer gebruik en administratiekosten. Eiser wordt daarom opgedragen zich hierover schriftelijk uit te laten, met name over artikel 6 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden en het ontbreken van een huurprijs in de overeenkomst.
De zaak wordt aangehouden tot de akte-uitlating van eiser is ontvangen en aan gedaagde is toegezonden met de mogelijkheid tot reactie. De kantonrechter bepaalt een rolzitting op 17 juli 2026 voor verdere behandeling. Het vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere toelichting over de grondslagen van de vordering en de (on)eerlijkheid van bedingen, met rolzitting op 17 juli 2026.