ECLI:NL:RBAMS:2026:6715

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
11216206 \ CV EXPL 24-8877
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid COA voor brandschade aan schip en toewijzing herstelkosten

De zaak betreft een geschil tussen RMF, een vennootschap naar buitenlands recht, en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) over aansprakelijkheid en schadevergoeding na een brand aan een schip dat door RMF werd verhuurd voor opvang van asielzoekers.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat COA aansprakelijk is voor de brandschade, omdat COA niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de brand door een medewerker van RMF zou zijn aangestoken. De herstelkosten zijn vastgesteld op € 2.636.853,-, waar een nieuw-voor-oud aftrek van € 142.397,50 op wordt toegepast, waardoor € 2.494.455,50 toewijsbaar is. Na verrekening van reeds betaalde bedragen resteert een bedrag van € 264.455,50.

Daarnaast zijn deskundigenkosten van € 36.642,12 en buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,- toegewezen. De gevorderde tijdverletschade van RMF wordt afgewezen omdat RMF niet heeft bewezen dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, mede omdat inkomsten elders zijn ontvangen. COA wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen met wettelijke rente en de proceskosten van € 5.944,47.

De vordering van COA tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: COA is aansprakelijk voor de brandschade en wordt veroordeeld tot betaling van herstelkosten, deskundigenkosten, incassokosten en proceskosten, terwijl tijdverletschade wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 11216206 \ CV EXPL 24-8877
Vonnis van 2 juli 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
ROI MIXED FLEET AG,
gevestigd te Rotkreuz (Zwitserland),
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: RMF,
gemachtigden: mrs. J.C. van Zuethem en M.L.W. Weerts,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASSIELZOEKERS,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: COA,
gemachtigde: mr. J.M. Huber.

1.De procedure

Op 6 februari 2025 is een tussenvonnis gewezen. Het verloop van de procedure nadien blijkt uit:
- de akte overlegging bewijsstukken van RMF,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 juni 2025,
- de akte overlegging tegenbewijs van RMF,
- de conclusie na enquête van COA,
- de conclusie na enquête van RMF.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.2. De beoordeling

2.1.
Bij vonnis van 6 februari 2025 heeft de kantonrechter COA in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade. Ook heeft de kantonrechter RMF opdragen te bewijzen dat zij tijdverletschade heeft geleden ter hoogte van € 587.500,-.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat COA niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. RMF is eveneens niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Dit wordt als volgt toegelicht.
Tegenbewijs COA
2.3.
In het tussenvonnis van 6 februari 2025 zijn vier scenario’s geschetst die de oorzaak kunnen vormen van de brand. In het vonnis is ook overwogen dat bij scenario 1, 2 en 4 (de brand is aangestoken door een bewoner van [naam schip 1] , een bevoegd aanwezige bezoeker, een onbevoegd aanwezige derde of door een medewerker van COA) COA daar in beginsel voor aansprakelijk is. Alleen als vast komt te staan dat een medewerker van RMF de brand heeft aangestoken (scenario 3), kan geen aansprakelijkheid van COA worden aangenomen.
2.4.
COA heeft de volgende personen als getuigen laten horen:
  • [getuige 1] ,
  • [getuige 2] ,
  • [getuige 3] ,
  • [getuige 4] ,
  • [getuige 5] .
2.5.
De bovenstaande personen waren allemaal op de avond van de brand aan het werk als beveiligers op [naam schip 1] of de boot die ernaast lag ( [naam schip 2] ). Zij hebben verklaringen afgelegd over wat zij die avond hebben meegemaakt en hebben zien gebeuren. Naar het oordeel van de kantonrechter komt uit de verklaringen niet naar voren dat de brand zou zijn aangestoken door een medewerker van RMF of dat er sprake is van een andere niet aan COA toerekenbare oorzaak van de brand. COA heeft wel gewezen op inconsistenties in de verklaringen, maar het gaat dan om bijzaken die naar het oordeel van de kantonrechter de kern van de verklaringen niet raken. Zo kan het zijn dat bemanningsleden niet meer precies kunnen reconstrueren wanneer en waar precies contactmomenten hebben plaatsgevonden en kunnen er in de volgorde van de tijd inconsistenties sluipen. Dat doet echter niet af aan het feit dat uit de verklaringen geen enkele aanwijzing volgt dat de brand zou zijn aangestoken door een medewerker van RMF. Dit scenario komt daarom, zoals ook in het tussenvonnis van 6 februari 2025 overwogen, het minst waarschijnlijk voor. De voorshands bewezen geachte stelling van RMF dat COA aansprakelijk kan worden gehouden voor de brandschade blijft overeind.
Begroting van de schade
Herstelkosten
2.6.
RMF heeft het definitieve schaderapport van Petermann GmbH van 13 november 2024 (aanvullende productie 12 van RMF) in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat de totale herstelkosten € 2.636.853,- bedragen. Het verweer van COA komt er op neer dat er voor de nieuwe vloerbedekking, de matrassen, hoofdkussens en dekbedden en de brandmeldinstallatie een nieuw-voor-oud aftrek dient plaats te vinden van € 142.397,50. COA verwijst daartoe naar het schaderapport van Doldrums B.V. van 13 september 2024 (productie 19 bij conclusie van antwoord).
2.7.
Uit het rapport van Petermann GmbH blijkt niet dat zij in de schadeberekening een nieuw-voor-oud aftrek heeft toegepast. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in de gegeven omstandigheden wel op zijn plaats. Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. RMF heeft wel gewezen op de huurovereenkomst, waar in artikel 4, eerste alinea, staat dat COA aansprakelijk is voor ‘
any damage of the ship or interior’, maar de conclusie van RMF dat hieruit volgt dat geen nieuw-voor-oud aftrek toegepast kan worden, volgt de kantonrechter niet. Dat staat er immers niet. In de huurovereenkomst (artikel 4, tweede alinea) staat wel dat dat COA
volledigaansprakelijk is voor schade die is ontstaan aan interieur door het maken van ongeoorloofde wijzigingen of het vastmaken van zaken aan deuren of muren (vrij vertaald en onderstreping door de kantonrechter), waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in deze situatie geen nieuw-voor-oud aftrek kan worden toegepast. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake.
2.8.
Als niet betwist staat vast dat (het interieur en de brandmeldinstallatie van) [naam schip 1] zich in verouderde staat bevond en aan een opknapbeurt toe was. COA heeft voldoende onderbouwd dat RMF door het vernieuwen van het interieur en de brandmeldinstallatie in een betere positie wordt gebracht dan voor de herstelwerkzaamheden. Dit levert een relevant (waarde)voordeel voor RMF op. De kantonrechter begroot dit verkregen voordeel volgens het – inhoudelijk onweersproken gebleven – rapport van Doldrums B.V. op € 142.397,50.
2.9.
De conclusie is dat aan herstelkosten een bedrag van € 2.494.455,50 toewijsbaar is.
Deskundigenkosten
2.10.
RMF heeft als aanvullende productie 13 de noodzakelijke kosten voor de vaststelling van de schade geconcretiseerd. Deze productie betreft een gespecificeerde factuur van Petermann GmbH van € 36.642,12.
2.11.
COA heeft geen nader verweer gevoerd tegen deze schadepost, waardoor deze toewijsbaar is.
Tijdverletschade
2.12.
RMF heeft aangetoond dat [naam schip 1] , als de brand niet zou zijn uitgebroken, medio februari 2024 na een opknapbeurt naar [plaats 1] zou zijn vertrokken om daar van 1 maart 2024 tot 3 juli 2024 het schip [naam schip 3] te vervangen. Voor de terbeschikkingstelling van [naam schip 1] in [plaats 1] zou RMF een dagvergoeding van € 4.700,- van COA ontvangen. Het schip [naam schip 4] zou op haar beurt [naam schip 1] vervangen.
2.13.
Omdat [naam schip 1] door de brand niet kon worden ingezet in [plaats 1] , stelt RMF dat zij tijdverletschade heeft geleden voor de periode 1 maart tot en met 3 juli 2024 (125 dagen) ten belope van € 4.700,- per dag, dus in totaal € 587.500,-.
2.14.
Hier stelt COA tegenover dat [naam schip 3] langer in [plaats 1] is blijven liggen. Hiervoor is – volgens afspraak – gewoon € 4.700,- per dag betaald. COA stelt dat zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis, [naam schip 3] elders ingezet had kunnen worden. Dat is volgens COA dan ook de hypothetische situatie waartegen de schade moet worden beoordeeld.
2.15.
Op dit laatste punt volgt de kantonrechter de redenering van COA. De tijdverletschade die RMF vordert (€ 4.700,- per dag x 125 dagen voor de niet-ingezette [naam schip 1] in [plaats 1] ) is immers feitelijk niet geleden. RMF heeft deze inkomsten alsnog ontvangen, alleen dan niet voor de inzet van [naam schip 1] , maar voor het langer laten liggen van [naam schip 3] . De tijdverletschade ziet er dan mogelijk op dat [naam schip 3] niet op een andere plek ingezet kon worden. Op dit punt heeft RMF wel gesteld dat [naam schip 3] in mei en juni 2024 was verhuurd aan de klant [naam klant] voor drie rondvaarten voor een totaalbedrag van € 422.450,-, maar hiervan heeft RMF geen bewijs overgelegd – op een e-mail van de managing director van RMF aan haar eigen advocaat na. Deze e-mail acht de kantonrechter onvoldoende om als bewijs te dienen, nu hier geen enkel objectief bewijsstuk bij is gevoegd.
2.16.
De conclusie is dat RMF niet heeft bewezen dat zij tijdverletschade heeft geleden.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.17.
De kantonrechter stelt vast dat RMF voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Volgens het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten is het maximumbedrag van € 6.775,- exclusief btw toewijsbaar.
Conclusie
2.18.
Uit het bovenstaande volgt dat voor herstelkosten toewijsbaar is een bedrag van € 2.494.455,50. Hierop strekt in mindering het door COA reeds betaalde bedrag van € 2.230.000,-, waardoor een toewijsbaar bedrag van € 264.455,50 resteert. Hierover is wettelijke rente verschuldigd zoals gevorderd.
2.19.
Gelet op het voorgaande is de reconventionele vordering van COA strekkende tot terugbetaling van het betaalde bedrag van € 2.230.000,- niet toewijsbaar.
2.20.
Verder zijn in conventie toewijsbaar de kosten die zijn gemaakt ter vaststelling van de oorzaak en de omvang van de schade van in totaal € 36.642,12, met wettelijke rente zoals gevorderd.
2.21.
Ten slotte zijn de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,- toewijsbaar, met wettelijke rente zoals gevorderd.
2.22.
De gevorderde veroordeling van COA tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet wordt afgewezen, nu RMF niet aannemelijk heeft gemaakt dat er naast de in deze procedure behandelde schadeposten, nog meer schade is geleden of zal worden geleden.
Proceskosten
2.23.
COA is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de conventie en de reconventie zal één proceskostenveroordeling worden uitgesproken. De totale proceskosten van RMF worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
135,97
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
4.327,50
(2,5 punten × € 1.731,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.944,47
2.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat COA aansprakelijk is voor alle schade en gevolgschade die is ontstaan ten gevolge van de brand op of omstreeks [datum] 2024 te [plaats 2] aan het schip ‘ [naam schip 1] ’,
3.2.
veroordeelt COA om aan RMF te betalen een bedrag van € 264.455,50 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt COA om aan RMF te betalen een bedrag van € 36.642,12 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 november 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt COA om aan RMF te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt COA in de proceskosten van € 5.944,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als COA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt COA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.9.
wijst de vordering van COA af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026