ECLI:NL:RBAMS:2026:6678

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-006705-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 OLWArt. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 535 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onterechte overleveringsdetentie zonder verdubbeling forfaitair bedrag

Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd wegens onterechte vrijheidsbeneming in het kader van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat later werd ingetrokken door de Oostenrijkse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van het EAB gelijkgesteld kan worden met een weigering van overlevering, waardoor vergoeding van de detentie passend is.

Verzoeker zat vier dagen in detentie, waarvoor een standaardvergoeding van €160 per dag wordt toegekend. Het verzoek tot verdubbeling van dit forfaitaire bedrag wordt afgewezen omdat geen bijzondere bezwarende omstandigheden zijn gebleken die een hogere vergoeding rechtvaardigen. De rechtbank erkent de impact van de detentie, maar acht het forfaitaire bedrag voldoende voor materiële en immateriële schade.

De kosten van rechtsbijstand van de Oostenrijkse advocaat worden niet vergoed, omdat deze kosten in beginsel door de uitvaardigende lidstaat moeten worden gedragen en verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat vergoeding in Oostenrijk onmogelijk is. Wel wordt een vergoeding van €330 toegekend voor gederfde inkomsten op de dagen van invrijheidsstelling en de dag erna, onderbouwd met stukken en toelichting.

De rechtbank wijst de verzoeken toe voor een totaalbedrag van €970, bestaande uit €640 voor detentie en €330 voor gederfde inkomsten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: Vergoeding toegekend voor onterechte detentie en gederfde inkomsten, verzoek tot verdubbeling en buitenlandse advocaatkosten afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-006705-26
RK nummers: 26-010782 en 26-010783
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding ex artikel 67 van Pro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats]
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 15 april 2026, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, alsmede gederfd inkomen.
De verzoeken zijn tijdig ingediend en ontvankelijk.
De rechtbank heeft op 3 juni 2026 verzoeker, zijn raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, in openbare raadkamer gehoord.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Op 7 januari 2026 is door het
Staatsanwaltschaft Korneuburg, Oostenrijk, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Oostenrijk, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek;
- Op 10 januari 2026 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;
- Op 13 januari 2026 is de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst door de rechter-commissaris;
- Op 15 januari 2026 is de voorlopige aanhouding omgezet in een aanhouding welke voortduurt tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon beslist.
- Op 16 januari 2026 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank het EAB in behandeling zal nemen;
- Op 23 februari 2026 zijn verzoeker en diens raadsman opgeroepen voor de behandeling van de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB ter zitting van 10 maart 2026;
- In de door de raadsman overgelegde brief van 23 februari 2026 van het
Staatsanwaltschaft Korneuburgis vermeld dat verzoeker ten onrechte door de Oostenrijkse autoriteiten als verdachte is aangemerkt en dat de strafzaak tegen verzoeker beëindigd is verklaard;
- Op 26 februari 2026 is de overleveringszaak na de intrekking van het EAB door de Oostenrijkse autoriteiten geëindigd met een intrekking van de oproeping voor de zitting van 10 maart 2026.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van:
- € 1.280,-
€ 1.280,-voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, als volgt nader gespecificeerd:
4 dagen politiebureau: 4 x € 160,- = € 640,-. Verzoeker heeft om een verdubbeling van dit forfaitaire bedrag verzocht vanwege de grote impact die de arrestatie en de detentie op hem hebben gehad.
- € 330,-
€ 330,-als vergoeding van gederfd inkomen voor het niet kunnen werken op de dag van de invrijheidsstelling en de dag erna (13 en 14 januari 2026).
- € 600,-
€ 600,-voor de vergoeding van de kosten voor – noodzakelijk ingeschakelde – rechtsbijstand van de Oostenrijkse advocaat.
Verzoeker en diens raadsman hebben ter zitting de verzoeken nader toegelicht.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende posten voor vergoeding in aanmerking komen:
  • vier dagen detentie à € 640,-;
  • gederfde inkomsten op 13 januari 2026 à € 165,-.
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie [1] – verzet tegen de vergoeding van de kosten van de advocaat in Oostenrijk.
De officier van justitie heeft zich tevens verzet tegen verhoging van de forfaitaire vergoeding voor de dagen in detentie met factor 2, omdat de door verzoeker genoemde argumenten niet samenhangen met de ondergane detentie.

5.Toetsingskader

Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 67 OLW Pro in beginsel alleen bij een weigering van de overlevering een vergoeding kan worden toegekend voor schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming. Onder omstandigheden kan een beslissing waardoor een overleveringsprocedure voortijdig eindigt gelijk worden gesteld met de beslissing van de rechtbank tot weigering van de overlevering. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij rauwelijkse afwijzing van het overleveringsverzoek door de officier van justitie of bij niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat het EAB is uitgevaardigd door een niet-rechterlijke autoriteit, dan wel in gevallen waarin op grond van artikel 11 OLW Pro aan het EAB geen gevolg wordt gegeven. Indien de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB heeft ingetrokken, is niet zonder meer sprake van een geval dat kan worden gelijkgesteld met weigering van de overlevering. Die gelijkstelling hangt af van de reden van de intrekking van het EAB.
Artikel 67, eerste lid, van de OLW bepaalt dat de rechter op verzoek van de opgeëiste persoon, indien diens overlevering is geweigerd, hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, bevolen krachtens de OLW.
In de onderhavige zaak is geen sprake van weigering van de overlevering, maar van intrekking van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een geval dat kan worden gelijkgesteld met de weigering van de overlevering nu de reden van intrekking van het EAB is gelegen in het feit dat het nationaal aanhoudingsbevel was ingetrokken door de Oostenrijkse autoriteiten, die te kennen hebben gegeven dat verzoeker ten onrechte als verdachte was aangemerkt.
Vergoeding voor ondergane overleveringsdetentie
De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van schade die is geleden als gevolg van vrijheidsbeneming op grond van de Overleveringswet op zijn plaats is. Verzoeker heeft in totaal 4 dagen in detentie gezeten op grond van de Overleveringswet. Op grond hiervan moet de door verzoeker ondergane detentie achteraf als onterecht ondergaan worden beschouwd.
Uit het gegeven dat achteraf is komen vast te staan dat verzoeker onterecht heeft vastgezeten, volgt in beginsel dat er gronden van billijkheid zijn om hem een schadevergoeding toe te kennen. Feiten of omstandigheden die erop duiden dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van zijn detentie of die anderszins afdoen aan de billijkheid van toekenning van een schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken.
De rechtbank kent een standaardvergoeding toe van € 160,- per dag die op het politiebureau is doorgebracht.
Ten aanzien van de gevraagde hogere vergoeding overweegt de rechtbank dat het standaardbedrag dat in het kader van een verzoek ex artikel 533 Sv Pro wordt toegekend, feitelijk een vergoeding is voor de materiële en immateriële schade die is geleden ten gevolge van detentie.
In het verzoek en ter zitting is bepleit dat – vanwege een aantal bijzondere omstandigheden – verdubbeling van het forfaitaire bedrag in deze zaak billijk is. Deze bijzondere omstandigheden zien – zakelijk weergegeven – op het volgende. Verzoeker heeft als gevolg van de aanhouding reputatieschade ondervonden in zijn woon- en werkomgeving. Verzoeker heeft dit ervaren als een ernstige aantasting van zijn integriteit. Daarnaast heeft verzoeker psychische klachten overgehouden aan de aanhouding en de dagen dat hij in detentie heeft gezeten.
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de impact die de overleveringsdetentie op verzoeker heeft gehad, ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding om het forfaitaire bedrag te verhogen. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen is het forfaitaire bedrag een vergoeding voor de materiële én immateriële schade die is geleden ten gevolge van de detentie. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht ziet op schade waarvoor reeds met het forfaitaire bedrag een vergoeding wordt geboden. Niet gebleken is dat sprake is geweest van bijzonder bezwarende omstandigheden waaronder de detentie is ondergaan. Gronden om van het forfaitaire bedrag af te wijken ontbreken daarmee. Het verzoek tot verdubbeling van het forfaitaire bedrag zal dan ook worden afgewezen.
Vergoeding voor rechtsbijstand buitenlandse advocaat
De gemaakte kosten van rechtsbijstand voor de Oostenrijkse advocaat komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van richtlijn (EU) 2016/1919 van 26 oktober 2016 bestaat voor de opgeëiste persoon een recht om rechtsbijstand te krijgen in Oostenrijk, maar daaruit volgt ook dat de uitvaardigende lidstaat in beginsel verantwoordelijk is voor de in die lidstaat gemaakte kosten van rechtsbijstand.
Indien voldoende vast zou komen te staan dat de kosten die zijn gemaakt voor de Oostenrijkse advocaat onmogelijk in Oostenrijk verhaald kunnen worden, kunnen deze kosten in Nederland in aanmerking voor vergoeding komen, mits bovendien kan worden vastgesteld dat de activiteiten van die advocaat noodzakelijk waren voor het laten intrekken van het EAB, omdat niet op andere wijze contact kon worden gemaakt met de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij heeft geprobeerd de kosten van rechtsbijstand in Oostenrijk te verhalen, maar dat hij daarbij op praktische problemen is gestuit. Deze omstandigheid is onvoldoende om aan te nemen dat het voor verzoeker onmogelijk is om de kosten in Oostenrijk te verhalen.
Vergoeding voor gederfde inkomsten
Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van gederfde inkomsten op 13 januari 2026 en 14 januari 2026 overweegt de rechtbank dat deze post in aanmerking komt voor toewijzing.
Dat sprake is geweest van gederfde inkomsten is allereerst met voldoende stukken onderbouwd. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verzoeker op 13 januari 2026 in vrijheid is gesteld en op 15 januari 2026 zijn werkzaamheden weer heeft hervat. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij in de nacht van 13 januari 2026 op 14 januari 2026 nauwelijks heeft geslapen en dat in overleg met zijn werkgever is besloten dat hij op 14 januari 2026 niet zou komen werken.

7.Beslissing

De rechtbank
WIJST TOEde verzoeken tot schadevergoeding:
  • € 640,-vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en
  • € 330,- vanwege gederfd inkomen.
Deze beslissing is gegeven op 17 juni 2026 en in het openbaar uitgesproken door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van
€ 970,-op
IBAN/rekeningnummer
[rekeningnummer] bij de ABN Amro,
ten name van
[stichting] te [plaatsnaam] ,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] (verzoeker).
Aldus gedaan op 17 juni 2026
door mr. E.M. de Bie, voorzitter.