ECLI:NL:RBAMS:2026:6652

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13/003563-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • E. Biçer
  • P.K. Oosterling - van der Maarel
  • C. Işıtman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 312 SrArt. 282 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 4 jaar gevangenisstraf voor gewapende woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving

Op 3 januari 2026 pleegden verdachte en twee anderen een gewapende woningoverval in Amsterdam-Zuidoost waarbij zes personen, waaronder twee minderjarigen, werden vastgebonden en bedreigd met wapens. Verdachte heeft zelf meerdere geweldshandelingen verricht, waaronder slaan en vastbinden van slachtoffers.

De rechtbank achtte de tenlastelegging bewezen op basis van verklaringen van slachtoffers en politieonderzoek, ondanks dat één slachtoffer niet bij de rechter-commissaris was gehoord. De verklaring van dit slachtoffer werd ondersteund door andere getuigen en politiebevindingen, waardoor het recht op een eerlijk proces niet werd geschonden.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 4 jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het geweld, de aanwezigheid van minderjarigen en de emotionele impact op de slachtoffers. Daarnaast werd verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor materiële en immateriële schade aan de slachtoffers, met schadevergoedingen variërend van €5.000 tot €16.627,60, te vermeerderen met wettelijke rente en met gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding aan de slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/003563-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. De Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Zeeman, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen de advocaat van de benadeelde partij, mr. L.A.R. Newoor, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 3 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een
diefstal uit een woning, met geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ;
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Gelet op de aangiften en de bevindingen van de politie ter plaatse heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken voor (een deel van) de geweldshandelingen zoals ten laste gelegd in feit 1, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de geweldshandelingen.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte hiervoor dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde handelingen.
Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verklaring van [slachtoffer 4] moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat [slachtoffer 4] niet bij de rechter-commissaris is gehoord. Om deze reden heeft de verdediging geen praktisch en effectief ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
3.3.1.
Ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer 4]
is niet als getuige bij de rechter-commissaris gehoord, omdat het de rechter-commissaris niet is gelukt om in contact met hem te komen. Het feit dat het verzoek van de raadsman tot het ondervragen van getuige [slachtoffer 4] is toegewezen, maar deze ondervraging nog niet heeft kunnen plaatsvinden, levert niet onmiddellijk een schending van artikel 6 EVRM Pro op. De rechtbank stelt in dat kader vast dat de bewezenverklaring niet in overwegende mate steunt op de verklaring van [slachtoffer 4] , gelet op de andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Deze verklaringen ondersteunen de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 4] , wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 4] . Bovendien heeft de verdediging de overige getuigen wel kunnen ondervragen. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 4] bevestigd door de bevindingen van de politie. Op basis hiervan acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 4] betrouwbaar en oordeelt dat deze als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ook zonder dat er nog andere compenserende factoren waren. Er is geen sprake van schending van artikel 6 EVRM Pro.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 3 januari 2026 [slachtoffer 2] , haar dochter [naam dochter] en [slachtoffer 4] in de lift drie mannen met wapens tegenkomen. Eén van de mannen pakt de huissleutel van [slachtoffer 2] af. In haar woning aan de [adres] zijn op dat moment aanwezig [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] . [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] worden door de drie mannen vastgebonden met tie-wraps en [slachtoffer 2] en [naam dochter] worden naar de grond geduwd. De ten laste gelegde geweldshandelingen worden onderbouwd door de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Deze verklaringen komen onderling met elkaar overeen en worden ondersteund door de bevindingen van de politie ter plaatse.
Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij degene is geweest die door de politie in de woning is aangehouden. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte een aantal van de ten laste gelegde geweldshandelingen zelf heeft verricht. Verdachte heeft onder andere [slachtoffer 1] naar de grond geduwd, een knie in zijn rug gezet, meermaals met het handvat van een mes op zijn hoofd geslagen en de polsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met tie-wraps vastgebonden. Hierdoor heeft verdachte een significante bijdrage geleverd aan de diefstal met geweld zoals ten laste gelegd.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het ten laste gelegde feit en inwisselbare rollen. Dat verdachte zich een gedeelte van de tijd in een andere kamer dan zijn mededaders bevond, doet aan dit oordeel niet af.
3.3.3.
Ten aanzien van feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank ten aanzien van feit 2 dat de handelingen zoals ten laste gelegd kunnen worden bewezen. Deze handelingen zijn er op gericht geweest om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] van hun vrijheid te beroven. Immers zijn zij door verdachte en zijn mededaders op verschillende wijzen in hun bewegingsvrijheid beperkt.
Overeenkomstig het oordeel ten aanzien van feit 1, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten en inwisselbare rollen, waardoor sprake is van medeplegen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:op 3 januari 2026 te Amsterdam in/uit een woning, te weten de [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, sieraden en een bril en een autosleutel, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 3] te richten en tegen het achterhoofd van die [slachtoffer 3] te plaatsen en
- de polsen van die [slachtoffer 3] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- die [slachtoffer 1] op de grond te duwen en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] te richten en
- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, een knie op de rug van die [slachtoffer 1] te plaatsen en een mes tegen de rug van die [slachtoffer 1] te drukken en
- meermaals met het handvat van een mes op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en
- met de kolf van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en
- de polsen van die [slachtoffer 1] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “we zijn hier met drie pistolen. Je weet wat een clip van dertig doet. Geef ons al je geld en dure bezittingen” en “pas op niet bewegen hij is doorgeladen”, en
- een hard voorwerp in de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en
- de huissleutel uit de handen van die [slachtoffer 2] te pakken en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en
- een mes aan die [slachtoffer 2] te tonen en
- die [slachtoffer 2] de dreigende woorden toe te voegen “waar zijn je sieraden, zeg me anders ga ik je dood maken”, en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 4] te richten en
- een hand op/tegen de mond van die [slachtoffer 4] te houden en
- een mes aan die [slachtoffer 4] te tonen en
- de polsen van die [slachtoffer 4] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- de polsen van die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] met tie-wraps aan elkaar vast te binden;
Ten aanzien van feit 2:op 3 januari 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 3] te richten en tegen het achterhoofd van die [slachtoffer 3] te plaatsen en
- de arm van die [slachtoffer 3] vast te pakken en die [slachtoffer 3] naar voren te duwen en
- die [slachtoffer 3] de slaapkamer in te trekken en
- die [slachtoffer 3] te gebieden te gaan zitten en
- de polsen van die [slachtoffer 3] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- die [slachtoffer 1] op de grond te duwen en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] te richten en
- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, een knie op de rug van die [slachtoffer 1] te plaatsen en een mes tegen de rug van die [slachtoffer 1] te drukken en
- meermaals met het handvat van een mes op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en
- met de kolf van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en
- de polsen van die [slachtoffer 1] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- die [slachtoffer 1] de slaapkamer in te trekken en
- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “we zijn hier met drie pistolen. Je weet wat een clip van dertig doet. Geef ons al je geld en dure bezittingen” en “pas op niet bewegen hij is doorgeladen”, en
- die [slachtoffer 2] bij haar arm vast te pakken en
- een hard voorwerp in de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en
- de huissleutel uit de handen van die [slachtoffer 2] te pakken en
- die [slachtoffer 2] te duwen en op de grond te gooien en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en
- een mes aan die [slachtoffer 2] te tonen en
- die [slachtoffer 2] de dreigende woorden toe te voegen “waar zijn je sieraden, zeg me anders ga ik je dood maken”, en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 4] te richten en
- een hand op de mond van die [slachtoffer 4] te houden en
- die [slachtoffer 4] op de grond te duwen en
- een mes aan die [slachtoffer 4] te tonen en
- de polsen van die [slachtoffer 4] met tie-wraps aan elkaar vast te binden en
- de polsen van die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] met tie-wraps aan elkaar vast te binden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straf te matigen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij pleegde deze feiten samen met twee anderen. Uit de woning zijn luxeartikelen met emotionele waarde buit gemaakt. Deze spullen zijn niet teruggevonden. Verdachte heeft door zijn handelen een groot aantal slachtoffers gemaakt, immers waren tijdens de overval zeven personen in de woning aanwezig, waaronder twee minderjarigen. Bij de overval is niet alleen gedreigd met vuurwapens (althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen) en een mes, maar is ook geduwd en geslagen. Het plegen van deze feiten maakt ernstig inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Dat de slachtoffers ook na het voorval lang last hebben gehad van psychische klachten en zullen blijven hebben, blijkt ook duidelijk uit de toelichting van de vorderingen van de benadeelde partijen. Bewoners kunnen zich na een woninginbraak onveilig voelen in hun eigen huis, terwijl dat bij uitstek de plek is waar men zich veilig zou moeten voelen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan. Gelet op het voorgaande past voor deze ernstige strafbare feiten naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor een woningoverval met licht geweld gepleegd is een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Het oriëntatiepunt voor een woningoverval met ander geweld gepleegd is een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van zwaarder geweld dan licht geweld. Bovendien waren er twee minderjarigen aanwezig in de woning. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 jaren.

8.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank stelt vast dat in dit geval, waarin een woninginbraak met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving door verdachte in vereniging met één of meer anderen is gepleegd, sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Immers is sprake geweest van een groepsverband. Het plegen van de bewezen verklaarde feiten brengt de kans met zich dat aan die personen schade wordt toegebracht, en verdachte heeft dat op de koop toe genomen. Door zijn deelname aan de groep zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
8.2.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 100,- aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schade ter terechtzitting betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte dient te worden gematigd. De gevorderde materiële schade is niet betwist.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.
De gevorderde materiële schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer 5] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk.
De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.100,- (bestaande uit € 100,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.3.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schade ter terechtzitting betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte dient te worden gematigd.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer 2] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk.
De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.4.
Benadeelde partij [naam dochter]
De benadeelde partij [naam dochter] , wettelijk vertegenwoordigd door haar ouder [slachtoffer 2] , vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schade ter terechtzitting betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte dient te worden gematigd.
De rechtbank overweegt dat het strafbare handelen van verdachte ook jegens een benadeelde die niet op de tenlastelegging staat onrechtmatig kan zijn geweest, waardoor die benadeelde recht zou hebben op een schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de door verdachte gepleegde feiten en de schade van [naam dochter] . Uit het procesdossier blijkt dat [naam dochter] vanaf het eerste moment dat verdachte en zijn mededaders de lift in stapten tot het moment dat de politie ter plaatse kwam aanwezig is geweest. Zij is gedurende het hele incident aan de zijde van haar moeder gebleven, die verschillende bewezen verklaarde geweldshandelingen heeft moeten ondergaan. Hieruit volgt dat zij de door verdachte gepleegde feiten, zoals de in de tenlastelegging genoemde personen, mede heeft moeten ondergaan. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [naam dochter] in beginsel recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij hiermee ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [naam dochter] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk.
De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,- (bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.5.
Benadeelde partij [slachtoffer 6]
De benadeelde partij [slachtoffer 6] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouder [naam ouder] , vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schade ter terechtzitting betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte dient te worden gematigd.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij hiermee ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer 6] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk.
De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,- (bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.6.
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 3.650,05 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde materiële en immateriële schade ter terechtzitting betwist en stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de schade dient te worden gematigd.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij hiermee ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer 3] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade en de overige gevorderde schade oordeelt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Met betrekking tot het materiële deel oordeelt de rechtbank dat met de overgelegde onderbouwing onvoldoende is komen vast te staan dat er een (rechtstreeks) causaal verband is tussen de inkomstenderving en de feiten. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,- (bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
8.7.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 12.292,- aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,- (met het oog op eventueel hoger beroep), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, met uitzondering van het nader te onderbouwen bedrag van € 5.000,-, dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de hoogte van de gevorderde materiële schade betwist en stelt zich op het standpunt dat dit deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman de immateriële schade betwist en stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de schade dient te worden gematigd.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.
De kosten van de gestolen sieraden en bril zijn voldoende onderbouwd met de aankoopbevestiging van de juwelier en de facturen van de opticien. Het feit dat echtheidscertificaten ontbreken doet aan dit oordeel niets af. De rechtbank overweegt daartoe dat de overgelegde stukken geen aanleiding geven om aan de authenticiteit en de echtheid van de gestolen goederen te twijfelen. Ten aanzien van de kosten van de bril hanteert de rechtbank een waarde afschrijving van 20% per jaar. De rechtbank stelt op basis hiervan het toewijsbare bedrag met betrekking tot het montuur vast op € 798,- (€ 1330 vermenigvuldigd met 0,6, aangezien de factuur is gedateerd van 21 augustus 2023) en met betrekking tot de glazen vast op € 529,60 (€ 662 vermenigvuldigd met 0,8 = € 529,60, aangezien de factuur is gedateerd van 12 september 2024). Voor edelmetalen, zoals gouden sieraden, worden geen afschrijvingen toegepast omdat deze goederen waardevast zijn.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij hiermee ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer 1] slachtoffer is geworden van een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving, in een woning en waarbij geweld en wapens zijn gebruikt. Hiermee is een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, dat mede voortvloeit uit het gebruik van wapens, het vastgestelde geweld en de relatief korte duur van de beroving en vrijheidsbeneming, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing ter hoogte van € 5.000,- billijk. Het geweld dat jegens [slachtoffer 1] is gepleegd is niet dermate veel ernstiger in vergelijking met de andere benadeelde partijen, dat hem om die reden een hogere immateriële schadevergoeding toekomt. Ook anderszins is niet gebleken dat en waarom zijn schade hoger zou zijn.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 16.627,60, bestaande uit een vergoeding van materiële schade van € 11.627,60 (de waarde van de gestolen sieraden van € 10.300,-, de waarde van het montuur van € 798,- en de waarde van de glazen van € 529,60) en immateriële schade van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.8.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 5] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [naam dochter] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 6] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 16.627,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 108 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Beslag

Ten aanzien van het beslag zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven dat het beslag forensisch relevant is voor de nog lopende strafzaak tegen een medeverdachte.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 312, 282 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
Verklaart het bewezene strafbaar
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van
€ 100,- (honderd euro)aan vergoeding van materiële schade en
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] , aan de Staat
€ 5.100,- (vijfduizend honderd euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
51 (éénenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [naam dochter]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam dochter] toe tot een bedrag van
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam dochter] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam dochter] , aan de Staat
€ 5.000,- (vijfduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , aan de Staat
€ 5.000,- (vijfduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [slachtoffer 6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot een bedrag van
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] , aan de Staat €
5.000,- (vijfduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] , aan de Staat €
5.000,- (vijfduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
€ 11.627,60 (elfduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zestig eurocent)aan vergoeding van materiële schade en
€ 5.000,- (vijfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat
€ 16.627,60 (zestienduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zestig eurocent)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
108 (honderdacht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.