ECLI:NL:RBAMS:2026:664

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/13/25/507-F
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvVerordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging faillissementsvonnis wegens schending volledigheidsplicht en strijdigheid met artikel 21 Rv

De rechtbank Amsterdam behandelde het derdenverzet van All Active Asset Capital Limited (AAA) tegen het faillissementsvonnis van 9 december 2025 waarbij verzoeker op eigen aangifte failliet werd verklaard. Verzoeker had nagelaten te melden dat er al een lopende faillissementsprocedure in het Verenigd Koninkrijk was, waarin de bevoegdheid van de Engelse rechter werd betwist.

AAA stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was omdat de COMI van verzoeker buiten Nederland lag en dat verzoeker met het Nederlandse faillissementsverzoek forum shopping pleegde en de verhaalsmogelijkheden van schuldeisers frustreerde. De curator bevestigde dat verzoeker sinds september 2025 duurzaam in Nederland verbleef, maar dat verzoeker geen bankrekening in Nederland had en terughoudend was met informatie over zijn activa.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker de volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro ernstig had geschonden door de lopende Engelse procedure te verzwijgen, waardoor de Nederlandse rechter niet goed geïnformeerd was. Dit leidde tot vernietiging van het faillissementsvonnis en afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring in Nederland. De faillissementskosten worden ten laste van verzoeker gebracht.

Uitkomst: Het derdenverzet wordt gegrond verklaard en het faillissementsvonnis van 9 december 2025 wordt vernietigd wegens schending van de volledigheidsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
faillissementsnummer: C/13/25/507-F
uitspraak 21 januari 2026
Op 17 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingekomen met nummer 780522 FT RK 25.1178 van:
de vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
All Active Asset Capital Limited,
gevestigd te Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden),
advocaten mr. C.F. Klooster en mr. P.L.T. Gooren,
- hierna te noemen: AAA,
dat strekt tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 9 december 2025 waarbij
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- hierna te noemen [verzoeker] ,
op eigen aangifte in staat van faillissement is verklaard, met benoeming van mr. J.A. Camphuis tot curator en mr. A.E. de Vos tot rechter-commissaris.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
[verzoeker] is bij vonnis van 9 december 2025 in staat van faillissement verklaard. Bij verzoekschrift (met producties 1 tot en met 9) van 17 december 2025 is AAA tegen dit vonnis in verzet gekomen. Op 6 januari 2026 heeft AAA aanvullende producties 10 tot en met 17 in het geding gebracht. Op 9 december 2026 heeft AAA aanvullende productie 18 in het geding gebracht.
1.2.
Op 5 januari 2026 heeft de curator een schriftelijk verslag ter griffie ingediend en heeft [verzoeker] een verweerschrift, voorzien van producties 1 tot en met 3, ter griffie ingediend.
1.3.
De behandeling van het derdenverzet stond aanvankelijk gepland op 7 januari 2026, maar vanwege een weerswaarschuwing voor gladheid door sneeuw en bevriezing is de behandeling met instemming van partijen aangehouden tot 14 januari 2026. Op 14 januari 2026 zijn namens AAA haar advocaten verschenen. Ook [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. N.S. Reerink en mr. K.R. Kedis. Verder is de curator verschenen, vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. S.A. Voermans. AAA en [verzoeker] hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht aan de hand van door de raadslieden overgelegde en voorgelezen pleitaantekeningen. Partijen en de curator hebben verder vragen van de rechtbank beantwoord.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2.
De feiten
2.1.
Op 19 december 2023 heeft de High Court of Justice, Business and Property Courts of England and Wales in het Verenigd Koninkrijk [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan AAA van € 1.347.800,00 te vermeerderen met rente. [verzoeker] heeft dit bedrag niet voldaan.
2.2.
Vervolgens heeft AAA op 14 februari 2024 het faillissement van [verzoeker] verzocht in het Verenigd Koninkrijk. Als verweer tegen dit faillissementsverzoek heeft [verzoeker] aangevoerd dat de Engelse rechter niet bevoegd is omdat hij zijn Centre of Main Interest (hierna: COMI) niet in het Verenigd Koninkrijk heeft.
2.3.
[verzoeker] heeft op 18 februari 2025 onder ede tegenover de High Court verklaard dat hij in Dubai verblijft en dat daar zijn COMI is.
2.4.
Op 5 november 2025 is [verzoeker] door de Engelse rechter veroordeeld tot betaling aan Candy Ventures SARL (verder: CVS) van ruim 6 miljoen inclusief rente en kosten.
2.5.
[verzoeker] heeft zich op 27 november 2025 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) van de [gemeente] .
2.6.
Op 2 december 2025 heeft de High Court geoordeeld dat het hoger beroep van [verzoeker] wordt afgewezen en de faillissementsaanvraag door de Engelse faillissementsrechter kan worden behandeld.
2.7.
Op 5 december 2025 heeft [verzoeker] , bijgestaan door mr. Reerink, een verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte ingediend bij deze rechtbank. In dit verzoekschrift is de lopende faillissementsprocedure in Engeland niet vermeld. Bijlage 6 bij het verzoekschrift betreft een schriftelijke toelichting van [verzoeker] van 5 december 2025. Op pagina 3 van deze toelichting staat voor zover van belang het volgende vermeld:
‘(…) This has now resulted that on 16 December 2025, AAA can force a bankruptcy petition upon me in the United Kingdom. (…)’.
2.8.
Het Nederlandse faillissementsverzoek is op 9 december 2025 behandeld, waarbij [verzoeker] en mr. Reerink telefonisch zijn gehoord. Tijdens de behandeling is niet besproken dat in Engeland reeds een faillissementsverzoek in behandeling was. Wel heeft de rechter vragen gesteld over de COMI van [verzoeker] in het kader van artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848. Vervolgens is geoordeeld dat [verzoeker] ten tijde van het verzoek zijn COMI in Nederland had, dat de Nederlandse rechter bevoegd is en is het Nederlandse faillissement op dezelfde dag uitgesproken.
2.9.
Op 16 december 2025 heeft de Engelse rechter (ook) het faillissement van [verzoeker] uitgesproken.
2.10.
AAA is op 17 december 2025 in verzet gekomen tegen het vonnis van 9 december 2025 van deze rechtbank en heeft daarbij als productie een (steun)verklaring van CVS overgelegd.

3.Het verzet

3.1.
AAA heeft gesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was om van het verzoek tot faillietverklaring kennis te nemen, nu de COMI van [verzoeker] in de zin van Verordening (EU) 2015/848 buiten Nederland is gelegen. Ruim voor de Nederlandse faillietverklaring heeft de Engelse rechter na een procedure van circa twee jaar (waarin [verzoeker] uitgebreid verweer heeft gevoerd) geoordeeld dat haar jurisdictie toekomt ten aanzien van de faillissement van [verzoeker] . De Nederlandse rechter zou dit oordeel moeten volgen. Verder heeft [verzoeker] in de Engelse procedure herhaaldelijk verklaard dat zijn COMI buiten Nederland is gelegen, nu hij tegenover de High Court onder ede heeft verklaard in Dubai woonachtig te zijn. Bovendien verblijft [verzoeker] nu in Nederland in een hotel. Dit is volgens AAA een duidelijke aanwijzing dat zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland is gelegen. Alles wijst erop dat [verzoeker] met het aanvragen van zijn faillissement in Nederland heeft geprobeerd om de gevolgen van een faillissement in het Verenigd Koninkrijk te ontlopen. [verzoeker] frustreert hiermee de verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeisers, waaronder AAA. Er is bovendien sprake van forum shopping en dit levert misbruik van faillissementsrecht op. Ter zitting heeft AAA nog toegevoegd dat gelet op het gedrag van [verzoeker] het in stand houden van faillissementsprocedures in twee landen onnodig complicerend zal zijn en kostbaar voor de boedel, zodat dit niet in het belang is van schuldeisers. Gelet op het voorgaande heeft AAA verzocht het vonnis van deze rechtbank van 9 december 2025, waarbij het faillissement van [verzoeker] in Nederland is uitgesproken, te vernietigen. De verwachting van AAA (en CVS) is dat zij meer gebaat zijn met alleen een faillissement van [verzoeker] in het Verenigd Koninkrijk.

4.Het verweer

4.1.
Op de stellingen van [verzoeker] – voor zover van belang – zal de rechtbank hierna ingaan.

5.Bevindingen van de curator

5.1.
De curator heeft verklaard dat [verzoeker] zijn eigen faillissement heeft aangevraagd, nadat hij door de Engelse rechter bij vonnis van 5 november 2025 was veroordeeld tot betaling van ruim vijf miljoen euro. [verzoeker] heeft een niet geverifieerde schuldenlast van circa 80 miljoen euro. Over de COMI heeft de curator opgemerkt dat [verzoeker] in ieder geval sinds september 2025 duurzaam in Nederland verblijft en dat hij heeft verklaard voornemens te zijn om in Nederland te blijven. Uit bankmutaties van zijn Franse bankrekening over de periode januari 2025 tot en met augustus 2025 komt naar voren dat [verzoeker] nergens duurzaam heeft verbleven. Hij deed in deze periode vooral Europese bestemmingen aan. In de genoemde periode bleef hij ook regelmatig in Nederland. De curator is gebleken dat [verzoeker] in Nederland geen bankrekening aanhoudt. Hij houdt een Franse bankrekening aan en een gezamenlijke bankrekening met zijn partner in de Verenigde Arabische Emiraten. Verder betracht de curator terughoudendheid met het verstrekken van informatie over de activa van [verzoeker] .

6.De beoordeling

6.1.
Het verzet is tijdig ingesteld.
6.2.
Artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit betekent dat partijen de rechter volledig moeten inlichten over alle voor de beslissing relevant zijnde feiten (volledigheidsplicht) en dat partijen de feiten naar waarheid moeten aanvoeren (waarheidsplicht). Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
6.3.
De rechtbank constateert dat tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek op eigen aangifte op 9 december 2025 sprake is geweest van een ernstige schending van de volledigheidsplicht, die erin bestaat dat [verzoeker] heeft verzwegen dat op dat moment sprake was van een lopende faillissementsaanvraag in Engeland. Deze verzwijging betreft een cruciaal feit, aangezien bekendheid met de Engelse faillissementsprocedure van belang zou zijn geweest bij de vraag of [verzoeker] belang had bij zijn verzoek om (ook) in Nederland op eigen aangifte failliet te worden verklaard. De Nederlandse rechter heeft nu geen kans gehad om deze informatie bij de beoordeling van het faillissementsverzoek van [verzoeker] te betrekken. Naar alle waarschijnlijkheid had het Engelse faillissementsverzoek aanleiding gegeven voor de Nederlandse rechter om de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden in afwachting van de beslissing in de Engelse procedure en zou dit vervolgens zijn afgewezen wanneer het faillissement in het Verenigd Koninkrijk was uitgesproken. Enig belang bij een tweede faillissementsprocedure in Nederland heeft [verzoeker] desgevraagd namelijk niet duidelijk kunnen maken. Het belang van AAA (en schuldeiser CVS, die blijkens haar verklaring de standpunten van AAA deelt) daarentegen bij concentratie van de opsporing en uitwinning van vermogensbestanddelen van de failliete boedel in één procedure komt de rechtbank in dit geval plausibel voor.
6.4.
De primaire stelling van [verzoeker] dat hij niet moedwillig de lopende Engelse faillissementsprocedure voor de Nederlandse faillissementsrechter heeft verzwegen, omdat er geen verplichting bestaat om lopende faillissementsprocedures buiten Europa aan de Nederlandse faillissementsrechter mede te delen, is in strijd met de volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro. De subsidiaire stelling dat de rechtbank volledig was geïnformeerd doordat in bijlage 6 van het verzoekschrift op bladzijde 3 één zin is gewijd aan een mogelijke faillissementsprocedure in het Verenigd Koninkrijk, wordt gepasseerd. Uit deze zin:
‘(…) This has now resulted that on 16 December 2025, AAA can force a bankruptcy petition upon me in the United Kingdom. (…)’, blijkt geenszins dat reeds vanaf 14 februari 2024 sprake was van een tegen [verzoeker] gerichte faillissementsprocedure, waarin ook de bevoegdheid van de Engelse rechter beoordeeld werd. Dat dit hieruit niet is af te leiden, blijkt ook wel uit de omstandigheid dat ook mr. Reerink ten tijde van de behandeling van het faillissementsverzoek niet op de hoogte was van deze Engelse procedure, zo heeft hij ter zitting verklaard. Van [verzoeker] had echter verwacht mogen worden dat dergelijke belangrijke informatie zou zijn opgenomen in het Nederlandse verzoekschrift en dat het bij de behandeling van het verzoek met de Nederlandse rechter zou zijn besproken.
6.5.
Gebleken is dan ook dat [verzoeker] feiten heeft achtergehouden waardoor de rechter die het faillissementsverzoek heeft behandeld op het verkeerde been is gezet, althans onvoldoende was geïnformeerd over de relevante feiten. De rechtbank rekent het [verzoeker] zwaar aan dat hij onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven, aangezien bij een faillissementsverzoek op eigen aangifte de faillissementsrechter juist in grote mate afhankelijk is van de informatievoorziening door verzoeker. De faillissementsrechter mag erop vertrouwen dat een verzoeker openheid van zaken geeft over zijn financiële situatie maar ook over reeds aanhangige daarmee samenhangende gerechtelijke procedures in binnen- en buitenland. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd.
6.6.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in het onderhavige geval aan het niet-naleven van de volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro het gevolg moet worden verbonden dat het verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] als nog wordt afgewezen. AAA (met steun van CVS) heeft immers, zoals hiervoor overwogen, voldoende gesteld dat het niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is dat [verzoeker] ook in Nederland in staat van faillissement wordt verklaard. Dit betekent dat het derdenverzet gegrond wordt verklaard. Gelet hierop behoeven de overige standpunten van partijen, zoals over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de COMI van [verzoeker] , geen verdere bespreking.
6.7.
Mr. Camphuis heeft verzocht de faillissementskosten in geval van vernietiging ten laste van AAA te brengen omdat [verzoeker] geen of weinig verhaal zou bieden. Daartoe bestaat geen aanleiding nu AAA in het gelijk wordt gesteld. De faillissementskosten tot nog toe komen ten laste van [verzoeker] , als zijnde de in het ongelijk gestelde partij.
6.8.
De beslissing luidt als volgt.
BESLISSING:
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt het vonnis van 9 december 2025;
- stelt het salaris van de curator mr. J.A. Camphuis vast op € 14.310,71 inclusief verschotten de daarover verschuldigde omzetbelasting en brengt deze bedragen ten laste van [verzoeker] .
Dit vonnis is gewezen door mrs. L. van Berkum, N.C.H. Blankevoort en M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.